Uit de kast

Keith Haring

Door mijn eerste grote liefde was ik in staat om op mijn 23e uit de kast te komen tegenover mijn ouders. Het was 1977.

Ik was het al een tijdje van plan maar durfde niet. Tot toen, die dag.

Mijn ouders woonden in een dorp nabij Amersfoort. Ik ging daar heen in het weekend en ook dat weekend kwam ik op zaterdag, nam een loeiheet bad en viel al zwetend in slaap.

De volgende dag begon ik tegen mijn moeder toen mijn vader naar de WC was. Waarom ik had gewacht tot hij naar de WC was begrijp ik eigenlijk niet, want uiteindelijk reageerde hij heel goed.

‘Ik moet je wat vertellen’,  begon ik, ‘ ik ben lesbisch’.

Mijn moeder schrok zichtbaar. Ik geloof dat ze op stond en haar handen aan haar broek afveegde.

‘ Je moet het zelf aan je vader vertellen,’ zei ze

Mijn vader kwam weer de kamer binnen.

‘Onze dochter moet je wat vertellen,’ zei mijn moeder.

Dat ging niet zo als ik gehoopt had. Ik had gehoopt dat zij het zou vertellen maar dat deed ze niet en zo ging het niet. Nu moest ik het aan mijn vader vertellen.

‘Ik ben lesbisch,’ herhaalde ik.

‘Oh,’ zei mijn vader. Hij lachte en leek opgelucht. Ik verdenk hem ervan dat hij blij was dat ik me niet aan de een of andere kerel zou gaan verbinden. ‘Mij maakt het niet uit. Je bent mijn dochter en ik houd nog even veel van je.’

‘Ik ben zo bang dat je eenzaam wordt,’ zei mijn moeder.
Ik dacht aan al die vriendinnen waar ik elke donderdagavond in het Vrouwenhuis muziek mee maakte, de vrouwen die ik daar in mijn hart had gesloten en waarvan ik wist dat ze mijn hele leven lang vriendinnen zouden zijn, wat ook zo is, al zijn er nu nog maar drie vrouwen over van die groep, de anderen zijn overleden of een andere kant op gegaan.

Hierna spraken we er niet meer over. Een keer vertelde mijn moeder dat ze in een café zat met mijn vader en er een Leger des Heils soldate langs hun tafeltje was gekomen met de Strijdkreet. Het Leger des Heils had een tijdje eerder uitgesproken dat homoseksualiteit een zonde was en dat je als homoseksuele man of lesbische vrouw geen lid van het Leger mocht zijn. Hadden mijn ouders eerder altijd  een Strijdkreet gekocht om op die manier het Leger te steunen, dit keer zei mijn moeder dat ze niks wilde kopen en ook niks wilde geven.

‘Mijn dochter is lesbisch,’ had ze gezegd, ‘en daar zijn jullie tegen, dus dank u wel, voorlopig koop ik geen Strijdkreet meer’.
Ook merkte ik dat sommige mensen, kennissen van mijn ouders, niet meer kwamen op de vele feesten die mijn ouders altijd gaven. Het was bij ons de gewoonte dat elke volwassen vriend of kennis van mijn ouders door ons oom of tante werd genoemd, dus toen ik vroeg waarom ik Tante Nel nooit meer zag zei mijn moeder dat Tante Nel nare dingen had gezegd over mensen zoals ik en dat zij (mijn moeder) daar geen prijs op stelde. Ze maakte woorden met mensen die tegen homoseksualiteit waren maar sprak er met mij nooit over. Wel met mijn zus die ze deelgenoot maakte van het verdriet en de angst die ze voelde over mijn levenswijze.

Tegen het huwelijk en voor het homohuwelijk

De reden waarom ik tegen het huwelijk was, was omdat wij niet konden trouwen.

Een van de pijnlijkste momenten in mijn leven was, toen mijn Israelische geliefde waar ik al drie jaar mee samenwoonde  en waar ik al drie jaar lang voor zorgde trouwde met een man die ze twee keer had ontmoet. Het was weliswaar op mijn aanraden en ik had het allemaal uitgezocht want ik wilde niet het risico lopen dat ze het land uitgezet zou worden en ik haar kwijt zou raken. Een huwelijk was de oplossing, een heterohuwelijk natuurlijk want iets anders bestond niet – via via hadden we deze man gevonden, hij zou nooit trouwen uit liefde, hij was tegen het instituut huwelijk en hij wilde haar wel helpen.

Dus op een mooie dag kwamen de bruiloftsgasten bijeen in het oude stadhuis van Amsterdam, ik was getuige, ik was op dat moment nog blij, als alles goed zou gaan zou ze het land nooit uitgezet kunnen worden, zij en hij hadden zich goed voorbereid, er waren vrolijke gasten, we waren feestelijk gekleed. Maar op het moment dat hem gevraagd werd of hij haar tot echtgenote zou nemen en alle rechten en plichten zou vervullen en hij ‘ja’ zei voelde ik geen blijdchap maar werd ik ziek van ellende. Hij die haar helemaal niet kende kon wel voor een verblijfsvergunning zorgen en ik die haar van binnen en buiten kende, die haar in mijn bed had, die zorgde voor het brood op de plank, ik had niets te zeggen.

Het was een pijnlijke dag voor me die nog veel pijnlijker eindigde.