Wit landschap

Rene Magritte – La corde sensible

Deze droom droomde ik een paar maanden, misschien een jaar, nadat mijn vader was overleden.


Ik zit met mijn vader in een witte kever, ik rijd.
Mijn vader zit klein en ineengedoken naast me.
Hij kon niet meer rijden en wilde dat ik het stuur overnam.


We komen bij een prachtig landgoed. De weg kronkelt zich langs heuvelachtige grasvelden. Alles is wit, het gras, de gebouwen. Behalve de lichtgrijze weg waar we op rijden.
Overal op het landgoed staan witte paviljoenen vol glas.
Bij een, bovenop een heuvel, staat mijn moeder.
We rijden naar haar toe, ze opent de deur voor mijn vader en zegt: ‘Daar ben je dan. Welkom.’
Ze helpt hem uit de auto.
Ik stap ook uit en samen brengen we Vader het pad op naar de ingang van het paviljoen. Ieder aan een kant, we ondersteunen hem zoals we hem vaak hebben ondersteund, hij kan niet zelfstandig lopen. Achter de glazen deur staat een bed. We helpen hem erop. Ik weet dat hij liggend in dit bed langzaam beter zal worden. Mijn moeder zal naast hem zitten. Ik voel dat het goed is
Zonder het uit te spreken weet ik dat zij hier achterblijven en ik weg zal rijden.

Nu ik dit na al die jaren opschrijf voel ik in mijn hart en buik een groot verdriet. Iets dat ik niet voelde nadat ik wakker werd uit de droom. Toen voelde het goed. Ik had mijn vader naar mijn moeder gebracht, zij had al die tijd op hem gewacht. Ik reed nu, ik had het stuur over genomen, ik was baas in eigen leven.
Het was zo duidelijk en zo symbolisch.
Mijn ouders zouden verder gaan en dat gingen ze.
Soms droom ik nog over hen. Ze zijn er weer en ik ben vaak ontdaan dat ze er zo lang niet waren. Waarom hebben jullie niet gebeld? Waarom hebben jullie niets laten horen?

Mijn vader

Familie Huizinga in 1956 op de Ooostenrijkselaan in Hoogeveen, het huis waar ik geboren ben.

Negentwintig jaar geleden, rond deze tijd 10 uur in de ochtend verliet mijn vader midden in een lach dit leven. Ik had veertig uur bij hem gezeten, gewaakt noemt men dat, aan de zijkant van zijn bed, hij werd om de twee uur omgedraaid en ik draaide mee. De hele tijd praatte ik met hem, mijn broer liet zich niet vinden, zijn oudste zoon, maar zijn oudste dochter die op vakantie was in Amerika en net een natuurpark bezocht had ik weten te bereiken en zij kwam naar Nederland. Ik wilde dat zij onze vader nog leven zou aantreffen dus elke keer als zijn adem stokte, hij ophield met ademen telde ik de seconden dat hij niet ademde en zei ik na 40 seconden: Vader ademen, Lilian komt zo.

Ondertussen verteld ik hem verhalen zoals ik deed toen wij vroeger door de nacht reden, op weg naar huis, iedereen sliep, ik in het midden van de achterbank leunde naar voren en praatte met mijn vader, ik hield hem wakker. Nu terugkijkend denk ik dat dat misschien helemaal niet nodig was, net zomin als het nodig is mij wakker te houden als ik door de nacht rijd maar ook die twee laatste nachten van zijn leven op aarde hield ik hem wakker, ik herinnerde hem aan moppen die we gedeeld hadden en ik weet dat hij wist dat ik daar was. Toen ik hem zei: het lijkt wel een nachtmerrie maakte hij een geluid waaruit ik opmaakte dat hij dat ontkende, nee zei ik dit is geen nachtmerrie, dit is echt. Hij beaamde het.

Al meer dan een jaar kon hij niet meer praten, wat er precies met hem was wisten we niet, Parkinson was de eerste diagnose en ik denk dat dat wel zo’n beetje klopte. Een afsterving van de hersenstam was ons ook gezegd. Het was een enorm pijnlijk proces de man die mijn vader was te zien aftakelen tot er een man was overgebleven die alleen nog maar zitten kon en die naar Schubert luisterde en die lachte om de grappen die ik verzamelde om aan hem te vertellen. Communiceren deden we doordat ik zijn hand pakte en hij erin kneep als het Ja was, één of Nee, 2 keer

In het verzorgingshuis waar hij zat behandelden ze hem, een intelligente man die door anderen een intellectueel genoemd werd maar waar hij zelf om lachte, alsof hij dement was en ze stalen geld uit zijn portemonnee.

Maar terug naar die nachten waarin mijn vader zijn leven voltooide en  ik samen met hem naar zijn einde ging.

Zijn laatste nacht werd ochtend, mijn zus zou rond zeven uur in de ochtend landen en rond acht uur hoorde ik haar aankomen, ze praatte met de nachtwacht en stormde toen de kamer binnen, wij omhelsden elkaar en ik liet haar alleen met onze vader zodat zij nog zeggen kon wat ze wilde zeggen. Ik kon in een bed gaan liggen in een kamer ernaast, veertig uur had ik in een stoel gezeten, nu kon ik mijn lichaam strekken en ik viel meteen in slaap. Rond tien uur maakte mijn zus me wakker. ‘Het gaat gebeuren. Kom.’  We stonden ieder aan een kant van het bed waar onze vader in lag, ik vertelde hoe ik hem wakker had gehouden en hoe ik hem de grappen had verteld waar wij ons hele leven om gelachen hadden. ‘ Heb je hem die ene ook verteld?’ vroeg ze. ‘ Nee zei ik en mijn zus begon met een Gronings accent, waar onze vader altijd om lachen moest, de mop te vertellen.

‘ Hahaha ‘ zei onze vader.

En stierf.

Lieve vader, lieve Koert, jammer dat je maar zo kort in mijn leven was en dankbaar dat je in mijn leven was en mijn vader was. Ik hoop dat je alweer terug bent en anderen blij maakt.

Het verhaal van de twee wolven.

Er was eens een oude vrouw, die elke avond bij het vuur met haar kleindochter praatte over het leven. Op een avond vertelde zij het verhaal over de strijd die zich binnen ieder mens afspeelt.
“Mijn kind,” zei zij, die strijd gaat over twee wolven. De eerste wolf heet Kwaad. En dat beslaat alles dat gaat over angst, woede, afgunst, jaloezie, verdriet, hebzucht, arrogantie, zelfmedelijden, schuld, wrok, minderwaardigheid, leugens, valse trots, superioriteit en ego. Deze wolf leeft in ieder mens, hem proberen te negeren heeft geen zin. En blijven zal hij ook altijd, hij hoort bij het leven.”

De wijze vrouw pauzeerde even, en vervolgde haar verhaal. Ze wilde zeker weten dat haar kleindochter goed luisterde, want dit was misschien wel de belangrijkste les die ze de haar wilde meegeven in het leven. Toen zij zag dat het meisje geïnteresseerd naar haar keek, ging ze verder. “De andere wolf heet Goed. En die wolf staat voor vreugde, vrede, hoop, liefde, sereniteit, nederigheid, saamhorigheid, trouw, nederigheid, compassie, vriendelijkheid, waarheid, grootmoedigheid en geloof. Ook deze wolf leeft in ieder mens, al is het soms moeilijk om hem te vinden. Maar blijven zal hij altijd, hij hoort bij het leven.”

De kleine meid dacht even na en vroeg vervolgens: “Maar grootmama, als beide wolven bestaan, en altijd in strijd zijn met elkaar, welke wolf wint dan uiteindelijk?”
De oude vrouw antwoordde eenvoudig: “De wolf die jij voedt.”

10 augustus 1990

Gezin1.jpg
Eerst lijkt alles gewoon, een gewone dag waarin ik twee afspraken heb en wat klusjes moet klaren. Het begint zoals altijd met koffie en ik eet twee boterhammen, ik blader wat op Facebook, deel een bericht van 46 jaar geleden met mijn eerste vriendin en mijn eerste neef en zie pas wat later dat de datum 10 augustus 1972 is, als ik het eerste deel zie van de datum wordt me de adem ontnomen.
10 augustus.
De datum dat ik wees werd.
De datum dat mijn vader stierf en ik voel me net als toen wegglijden in een donkere leegte. Ik heb geen ouders meer. In minder dan twee jaar tijd ben ik mijn beide ouders kwijtgeraakt en ik herinner me hoe mijn zus en ik allebei aan een kant van het bed staan en onze vader in een lach blijft en dood is.
En ook al wil ik er niet aan denken de dagen voor zijn dood dringen zich grof aan me op.
Het telefoontje van tante mimi.
Hoe ik de trein naar Bussum neem, ach dat herinner ik me eigenlijk niet meer maar ik herinner me wel hoe ik mijn vader ziek in bed zie liggen. Ik voel weer hoe ik zijn hand pak en aan hem vraag: vader wil je nog. Hij antwoordt niet.
Hij knijpt niet in mijn hand zoals de andere keren dat ik hem vraag, vader wil je nog.
Hij is al zo vaak zo ziek geweest en telkens knapte hij weer op, telkens wilde hij weer maar nu ligt hij zo ziek, zijn adem raspt.
De zuster roept me bij haar in het kantoortje.
‘ Het gaat niet meer,’ zegt ze, ‘ hij reageert niet meer op de medicijnen. We kunnen doorgaan maar het heeft geen zin meer. Hij is op.’
Een paar weken geleden vierden we zijn 72e verjaardag, hij was blij nog een verjaardag te vieren maar het was duidelijk dat hij niet goed was.
Wat ik niet eerder had gezien was dat hij geen controle meer had over zijn bewegingen. Zijn arm trilde luid. Vlak hierna werd hij weer ziek. En knapte weer op en nu was hij weer ziek.
‘ Je moet een beslissing nemen, ‘ zei de verpleegster, ‘ wil je dat we doorgaan of zullen we de natuur zijn werk laten doen? Misschien knapt hij op maar misschien is het tijd…..’ Ze maakte haar zin niet af want dat hoefde niet.
Misschien is het tijd afscheid te nemen?
Misschien is het tijd voor hem om te sterven?
Misschien is het tijd om wees te worden?
‘ Wil je een sigaretje om even na te denken?’
Ik was twee weken hiervoor opgehouden met roken. Nee een sigaret hoefde ik niet. Ik wilde niet meer roken en ik had geen excuses nodig om weer te beginnen.
Mijn vader was altijd zeer gedecideerd geweest over euthanasie. Als het niet meer ging, wilde hij geeuthaniseerd worden en elke keer dat hij verder achteruit ging vroeg ik hem of hij nog wilde, altijd zei of gebaarde hij Ja.
Behalve nu, hij had me niet geantwoord. Hij had niet in mijn hand geknepen wat de manier was waarop wij communiceerden sinds hij niet meer kon praten. Dit betekende voor mij dat hij niet meer wilde.
‘ Vader,’ vroeg ik nogmaals, ‘ wil je nog?’ Hij antwoordde niet.
‘ Vader,’ zei ik, ‘ ik ben opgehouden met roken.’ Hij kneep in mijn hand.
Hij was zelf al jaren geleden gestopt met roken. De bruine vlekken op zijn vingers die ik altijd zo interessant had gevonden waren langzamerhand verdwenen.
Onze moeder rookte nog op haar sterfbed, in haar laatste uren zat zij rechtop in bed, ogenschaduw, lippenstift, sjaaltje om haar nek en een sigaret in haar hand. Ze vond het duidelijk niet lekker meer maar roken zou ze.
Twee dagen en nachten zat ik bij mijn vader aan het bed. Ik wilde hem levend houden tot mijn zus, op een roadtrip in de USA, er zou zijn. Zij moest hem nog levend zien en hij moest haar nog zien. Elke keer als zijn adem stokte riep ik hem terug, ‘ vader, niet nu doodgaan, Leliën komt er aan.’ Ik vertelde hem grappen, ik praatte met hem zoals ik vroeger met hem praatte als we na een bezoek in Zwolle, Groningen of Geldrop of van vakantie in Frankrijk terug naar huis reden. Iedereen sliep. Behalve mijn vader die achter het stuur zat en ik. Ik in het midden van de achterbank, met mijn hoofd tussen de twee stoelen voorin. Ik: Vader? Hij: Ja. En dan spraken we, over alles, hij was me zo vertrouwd en zo dierbaar. Dus nu, de laatste uren van zijn leven praatte ik weer, alsof we op weg waren en op weg waren we. Op weg naar zijn dood.

Herinnering aan mijn vader


Ik zit op de grond op mijn knietjes, voor me ligt een gigantische krant, mijn vader zit in de stoel, hij leest een ander gedeelte van de krant. De krant Trouw of NRC bestaat uit twee delen. Als mijn vader het ene deel uit heeft, geeft hij dat aan mij. Ik ga er op  zitten, mijn ellebogen  op de krant, mijn hoofd in mijn handen en ik lees. Als er een moeilijk woord staat vraag ik hem wat het betekent, ik moet altijd drie keer ‘vader’ zeggen, (zo noemen wij hem) en dan heft hij zijn hoofd op en zegt: Ja? En dan vraag ik hem: wat betekent kiesrecht? Of democratie? Of turbulent? Hij legt het mij altijd geduldig uit. De enige keer dat hij me iets niet goed weet uit te leggen is als ik hem vraag wat ontuchtige handelingen betekent. Lees de zin eens voor, zegt hij. De man pleegde ontuchtige handelingen bij het meisje, lees ik. Vraag dat maar aan je moeder, zegt hij.
Tot mijn vader niet meer kan praten blijf ik hem vragen stellen over de wereld. Als ik dingen (die gebeuren) niet snap vraag ik het aan hem: vader, wat betekent dat precies, of vader, hoe komt dat? Of, vader waarom gebeurt dat.
Nog steeds betrap ik mij er soms op dat bij onduidelijkheden in de wereld ik vaak denk: dit zou ik nou eens graag aan mijn vader vragen, die zou het me precies kunnen uitleggen.