Droom

Droom: Ik ben terug in Amsterdam en ik fiets naar huis. De hele stad ligt open, ze zijn met de wegen bezig en er ligt overal nieuw asfalt maar de verbinden tussen de wegen is nog niet gemaakt. Ik kom uit Oost en ben op weg naar mijn nieuwe huis dat ergens in de buurt van de Marnixstraat ligt.

Ik ben dus verhuisd en ik ben er blij om want daar woon ik dichterbij ‘waar alles gebeurt’, vanuit mijn oude huis moest ik altijd een kwartier fietsen voor ik maar in de buurt kwam. Ik fiets ergens daar bij de molen, in de buurt van het Tropenmuseum, ik ben geloof ik een beetje de verkeerde kant op gereden maar bedenk me dat ik natuurlijk ook bovenlangs kan gaan naar de Marnixstraat en ik zoek de ingang naar de Hoogte Kadijk, daar is het ook helemaal veranderd, er zijn gebouwen weg en de ingang van de straat ligt ergens anders, ik herken het helemaal niet maar zie gelukkig ergens aan een gevel een oud bordje waar Kadijk op staat. Ik fiets er in en bedenk me dat hier twee vriendinnen van me wonen, misschien zal ik er even langs?

Ik besluit het niet te doen, zij zijn een gelukkig stel en dat is wel het laatste waar ik nu zin in heb, een stel. Ik kom langs een informeel restaurant/café, het is in de brede maar smalle voorkamer van een huis, er zitten mensen gezellig te eten, er zijn ook enkele intieme plekken en ik verlang naar de tijd dat ik daar zelf intiem zal eten met een lieve vriendin. Dan loop ik in een smalle gang die vol ligt met sla, sla rosso is het geloof ik en die ligt te drogen, aan de zijkanten staan allerlei groene kruiden, basilicum, munt, oregano. De sla ligt op trappen en op de grond, ik neem een krop mee en begin alvast te eten, ik scheur er blaadjes af, het is heerlijk en knapperig, gang na gang, deur na deur, de sla ligt er op een gegeven niet meer maar wel bakken en potten vol kruiden, ik eet van de sla maar ben me er goed bewust van dat deze sla niet van mij is en als ik bij de buitendeur kom leg ik de sla in een bloembak waar kruiden in groeien en ik denk dat ze de sla wel zullen vinden.

Reciteren

Veertien jaar geleden begon ik in deze maand met het dagelijks reciteren van Nam myoho renge kyo.

Ik was er voor het eerst mee in aanraking gekomen in Florence, waar wij na het Derde Internationale Vrouwenfestival met een internationale groep lesbische vriendinnen in een blauw Volkswagenbusje naar toe waren gereden.

Het was 1979.

Onderweg  sliepen we in het veld, of op de helling van de berg zoals ergens in Zwitserland waar we gewekt werden door een oude boer die verbaasd en verheugd was over al die vrouwen op zijn bergweide. Onder ons lag een groot meer, ik denk dat het het meer van Geneve was, het was een onvergetelijk uitzicht. De boer nodigde ons uit voor een ontbijt op zijn boerderij, terwijl zijn vrouw in de keuken eieren aan het bakken was maakte hij van de gelegenheid gebruik de borsten van P te betasten, een sensuele voluptueuze fotografe uit New York.

Onze eerste stop in Italië was in Milaan. Een groot kraakpand vol lesbiennes. Een vierkante binnenplaats waar drie verdiepingen met galerij op uitkeken. Hier woonden twee van de vrouwen die in ons busjes zaten, ze waren geliefd want toen wij met ons busje de binnenplaats opreden kwamen ze naar buiten en juichten en klapten.

Mijn toenmalige vriendin en ik waren allebei verliefd op P die al een aantal jaren een relatie had met J die er natuurlijk ook bij was.

We slenterden door het zakelijke Milaan waar iedereen bijzonder goed gekleed was. We leerden enkele woordjes Italiaans, bekeken de Dom van buiten en aten ijs en fruit bij een ijssalon.

Onze volgende stop was een lesbiënne in Venetië. We parkeerden de auto ergens buiten de stad en liepen met onze tassen en rugzakken het nachtelijke Venetië in. We hadden een adres ergens bij het San Polo, een hek, een binnenplaatsje en een trap naar het appartement dat  genoeg kamers voor ons allemaal bevatte. De volgende morgen werd ik wakker door getoeter buiten en twee mannen in bootjes waren aan het ruzie maken over wie er voorrang had.

Bij het ontbijt zetten de vrouw des huizes een spuit, ze bleek de heroïnedealer van Venetië te zijn. Als zij het plein van San Polo opliep kwamen vanuit alle hoeken, stegen en gaten de junks te voorschijn aan wie ze haar heroïne verkocht.

Een paar jaar later kwam ze naar Amsterdam om af te kicken, ze woonde bij ons en probeerde met Vitamine C haar gewoonte te breken. Het lukte en ze vertrok weer naar Venetië.

Zij gaf ons de adressen van vrouwen in  Florence waar we welkom waren en we vertrokken naar Florence.

Eerst gingen we naar Saturnia. Daar waren geneeskrachtige zwavelbronnen. De heroïnedealster zei dat we gewoon onze neus achterna moesten gaan want het was weer laat toen we vertrokken, P & J hadden altijd veel tijd nodig met inpakken dus ik denk dat we rond een uur of acht ’s avonds vertrokken.

Midden in de nacht kwamen we in Saturnia aan, de geur van rotte eieren volgend, eerst met de auto en toen we niet verder konden op onze neus de duisternis in.

De hele nacht zaten we in het borrelende water, we spraken onze verwachtingen van het leven uit, gooiden onze angsten het water in en zagen tot onze verassing toen de volgende ochtend de zon op kwam dat aan de overkant van de bronnen een helling van een berg was waar schapen opliepen. Opnieuw een onvergetelijk uitzicht.

Onderweg naar de auto werden we geronseld als druivenplukkers en de rest van de dag plukten we druiven voor een flink aantal lires.

In Florence scheidden onze wegen zich enigszins, P & J gingen naar de overkant van de Arno en C en ik zaten in een huis aan de Via del Moro.

Daar hoorde ik voor het eerst Nam myoho renge kyo.

Er was geen douche in het huis maar toen ik de volgende morgen onze gastvrouw in de gang tegen kwam zag ze er zo schoon en gewassen uit.

‘Ik dacht dat er geen douche was,’ zei ik.

Ze begon te lachen. ‘ Ik heb net gemediteerd,’ zei ze.

‘En dan zie je eruit of je gedoucht hebt?’ Ik was verbaasd. ‘Wat doe je dan?’

‘Ik chant Nam myoho renge kyo’ zei ze.

Donker

Er was nog licht in de lucht en warmte op straat toen ik om half elf uit het zwembad kwam en ik besloot de weg door de parken te nemen. De weg door de stad is korter maar drukker. Vol auto’s brommers drinkende mensen in cafes.
Ik fietste door het park en dacht aan vroeger. Hoe ik altijd voor een paar uur in de donkere nacht verdween als het zomer was en ik buiten was. Hoe ik op een open plek in het bos of op het strand op de grond ging liggen en hoe alleen en gelukkig ik mij voelde.

Ver weg. Alleen in de duisternis. Met de sterren.

Voor G ~ een les in schrijven

G schreef me:

Ik vind het zo knap dat je daar allemaal zo schrijft. Ik heb moeite met een verhaal verzinnen een daarna vorm te geven. Ik geloof dat ik alleen autobiografisch kan schrijven! Hahaha

Ik zou haar willen schrijven, doe een cursus, een schrijfcursus of misschien een songtekst cursus, leer schrijven.

Hoe leer je schrijven? Door het gewoon te doen.

Ik herinner me dat toen ik de Schrijversvakschool deed, ik in het tweede jaar maanden zat te klooien. Ik kreeg het niet voor elkaar iets te schrijven. Ik vond niets goed genoeg, als ik een zin geschreven had, gooide ik die na eindeloos herkauwen weer in de prullenbak met als gevolg dat er niets op papier stond en ik elke keer niets inleverde.

Langzaamaan nam mijn negatieve zelfbeeld het over, ik kon het niet, ik zou het nooit kunnen en misschien moest ik  mijn droom schrijver te worden maar opgeven.

Mijn docent was Arie Storm, ik vond hem een geweldige docent en ik geloof dat hij veel vertrouwen in mijn schrijverschap had, het eerste korte verhaal dat ik had geschreven had hij lovend besproken en hij zag mij ploeteren. Hij wilde mij niet opgeven en hij zei me dat ik de volgende week tien pagina’s moest inleveren en als  dat me niet lukte ik gewoon moest ophouden.

Ik ging naar huis, ging achter de computer zitten en begon als een gek te schrijven. Zonder enige aarzeling of zelfcensuur, het interesseerde me opeens helemaal niet meer of ik het nu wel of niet kon, ik wilde schrijven en dat is wat ik deed, ik dacht niet na, ik schreef het verhaal dat in me zat, het verhaal van Zet die een meisje ontmoet en met haar naar huis gaat. Ik gebruikte dingen uit mijn eigen leven zoals het kraakpand waar het meisje haar mee naar toe neemt en ik gebruikte een nacht met een meisje en ik verzon de rest bij elkaar, al waren het dingen die in mijn leven gebeurd waren het waren geen dingen die in mijn leven gebeurd waren, het gevoel dat ik beschreef was het gevoel dat ik had gehad maar niet met deze specifieke situaties.

De volgende week leverde ik mijn tien pagina’s in en Arie zei dat dat precies was wat hij bedoelde.

Dit is voor mij schrijven, schrijven en niet nadenken over de schoonheid van een zin of over grammaticaliteit.

Uiteindelijk ben ik afgestudeerd aan de Schrijversvakschool met nog een ander die begon in hetzelfde jaar. De eerste dag was ons al gezegd dat van de 20 mensen die begonnen er maar twee zouden afstuderen.

Esther Naomi Perquin die nu de Dichter des Vaderlands is, studeerde tegelijk met mij af, een toffe en leuke vrouw met een spannende kijk op de dingen.

Voor G: schrijf gewoon, hou je niet in, zet die pen op papier of  open Word op je elektronische ding waar je op schrijft en begin.

Als je over je eigen leven wilt schrijven maar niet duidelijk wilt maken dat jij het bent geef de hoofdpersoon een andere naam, schrijf het in de derde persoon, laat je moeder je vader zijn en je vader je moeder, woon in een ander dorp, gebruik je eigen verhaal om een ander verhaal te maken

Uit De Blauwe Haai~ Beatriz

Het begon donker te worden, het basketbalveld was verlicht met helle lampen waar grote zwermen muggen in dansten. De heerlijke zwoele avond begon. Gil was uitgespeeld en kwam weer naast me zitten. De meiden waren weg nadat ze me allemaal een high five hadden gegeven . Een van de meisjes, een stevige, atletische meid van een jaar of zeventien had me daarbij diep in de ogen gekeken. Te diep was het geweest, haar blik had me de zekerheid gegeven dat ze van de vrouwenliefde was en ik speelde met de gedachte om haar als ik terug was uit Chili eens uit te nodigen voor een drankje om haar de beginselen bij te brengen van de Sapphische liefde. Ik voelde dat mijn onderbuik begon te kriebelen en even dacht ik niet aan Het Nieuws. De oogopslag van het meisje had warme herinneringen bij me opgeroepen aan die keren dat ik verliefd was geweest, en de gedachte aan haar en al die vrouwen waar ik van gehouden had gaf me een zwaar gevoel in mijn buik en ik ervoer een lichte sensatie in mijn hoofd.

Gil stootte me aan: ‘Je ziet er weer beter uit, het heeft je goed gedaan, dit spelletje. Zullen we nog een potje?’ Ik sloeg zijn aanbod af en hij bleef zitten. Hij had me eerder gezegd dat hij wilde spelen om na te denken en ik vroeg me af of hij had na gedacht, wat hij had bedacht en of hij het met me zou delen. Er kwam niks meer uit hem. Hij keek voor zich uit en liet de basketbal tussen zijn benen op en neer stuiteren.
‘Had je nog wat bedacht, Gil,‘ vroeg ik, ‘je wilde toch nadenken?’
‘Ja, ja, zei hij haastig, ‘ik heb nagedacht, je moet naar die plek waar dat ongeluk is gebeurd.’
Hij had dus niets nieuws bedacht, niets waar ik zelf ook niet was opgekomen, ik was teleurgesteld maar kon het hem niet kwalijk nemen want het was laat, heet,druk, maar toch was ik ontgoocheld. Ik had gehoopt dat Gil iets wist dat ik niet wist of dat hij ergens aan gedacht had waar ik niet aan had gedacht.
‘Goed idee, Gil, bedankt. Ik ga naar de Fruitbar om mijn reis te boeken.’
Ik drukte zijn hand.
‘Graag gedaan en als ik ooit nog wat voor je doen kon, je kunt me altijd hier vinden.’ Hij strompelde terug naar het veld. Omdat hij zo lang was had hij een sjokkende loop. Ik keek hem na en voelde me alleen en eenzaam. Er was niemand die me kende, niemand die me begreep, niemand die voor me denken kon. Ik wist wel dat ik dat niet kon verwachten maar soms verlangde ik zo naar iemand die iets zou zeggen waar ik zelf nog niet aan gedacht had.
Somber liep ik terug naar de Fruitbar. Ik zou nog een fruitshake nemen en misschien nog een koffie want ik moest mijn koffer pakken. Misschien zou ik nog ook nog het Internet opgaan en mijn email checken. Kijken of ik wat gehoord had van mijn broer of zus. Natuurlijk was het zo dat het bericht van de dood van onze moeder te gevoelig was om te mailen maar Tante Lili had dat gedaan en wat hadden ze dan gedacht hoe ik er achter zou komen? Hadden ze misschien willen wachten tot ik teug in Nederland zou zijn midden april? De stilte die uitging van Jozef en Dalia maakte mijn al treurige stemming er niet beter op. Ze schreven me alleen met mijn verjaardag en op de dag dat onze moeder verdween. Deze dag hadden we altijd met ons drieën herdacht, als ik in Nederland was gingen we meestal ergens Indonesische rijsttafel eten, iets dat mijn moeder graag gedaan had toen ze nog bij ons woonde.

Dolores verwelkomde me uitgebreid, ze had een samenzweerderige grijns op haar gezicht en en gaf me omslachtig een roze enveloppe die naar zoete parfum rook.
‘Van Beatriz,’ lachte ze. ‘Beatriz? Het zei me niks. ‘je hebt vanavond met haar gebasketbald.’ Dolores gaf me een knipoog, ‘zo’n stoere, atletische meid met korte haren en een Nike trainingspak.’ Bij de woorden stoer en atletisch wist ik meteen op wie ze doelde. Het jonge meisje dat me zo diep in de ogen had gekeken. Mijn hart sprong op, de eenzaamheid die ik zo net nog zo intens voelde verdween achter een gordijn van lust. Ze had me een brief geschreven. Ik wilde hem ter plekke open scheuren maar Dolores keek me net te nieuwsgierig aan en zo ontspannen mogelijk bestelde ik met een kriebel in mijn buik een fruitshake en een koffie en ging ik naar het terras om in alle rust te lezen wat Beatriz van me wilde.
‘Lieve, liefste Teddy
Ik vind je zo mooi, je bent zo lief. Mijn hele hart en lichaam verlangt naar jou. Ik verlang er naar je wangen te kussen, je ogen te kussen. Ik verlang er naar jouw strelingen te ontvangen. Mijn hart bonst in mijn keel iedere keer als ik je zie. En ook dat zachte plekje bonst. Ik verlang er zo naar dat jij me beroert. Ik zal vanavond op je wachten op het derde bankje bij de haven en als je vanavond niet komt wacht ik morgen op je.
Veel liefs van jouw Beatriz’

Deze hartstochtelijke woorden benamen me bijna de adem. Zat ik tien minuten geleden nog op de bodem van een donkere put, nu zweefde ik met roze vleugels die put uit.
Dolores stond naast me met mijn bestelling. ‘Wil ze een afspraakje met je?’ vroeg ze belangstellend. ‘Ze was hier een paar minuten geleden. Volgens mij is ze verliefd op je.’ Ze keek me zo lief aan dat het me ontroerde en ik besloot haar een eerlijk antwoord te geven. ‘Ik ga zo naar haar toe,’ zei ik en ik nam een slok van mijn koffie en verslikte me. Dit was toch niet te geloven. Dit jonge meisje had belangstelling voor mij. Op deze dag die begonnen was als de afschuwelijkste dag van mijn leven ontving ik een liefdesbrief.

Facebook

Facebook

Ik vergelijk Facebook altijd met een stamcafé. Ooit had ik een stamcafé, ik kwam er elke dag, in het begin ontbeet ik er op weg naar mijn werk maar het was nooit druk op die tijd dus het café veranderde de openingstijd en ik ontbeet ergens anders.

Jaar in jaar uit ging ik naar dat café. Ik flipperde, zat met mijn vriendinnen, versierde vrouwen, dronk cola, rookte joints en deed eind jaren zeventig nog andere dingen in het café. Ik had het er enorm naar mijn zin, het was mijn plek en ik vond het helemaal niet erg dat ik gezien werd als een meubelstuk. Na een jaar of twintig of misschien was het vijftien jaar kwam de klad er in, de klad in mijn vreugde. Ik vond het er niet fijn meer.

Ik had mijn vriendinnen waar ik mee optrok en om gaf en de andere stamgasten in het café bevielen me niet meer. Er werd vreselijk geroddeld en ik wist door dat geroddel op een gegeven moment meer over mensen die ik amper kende dan over mijn vriendinnen. Ik wilde het niet meer en de keren dat ik nog in het café kwam dacht ik: wat doe ik hier.

Mijn medestamgasten kwamen vooral in het café omdat ze hielden van drank. Sommigen hadden een vrolijke dronk, anderen tetterden me de oren van mijn kop en weer anderen hadden een kwade dronk en was ik met mijn cola, joint en zachte hart een uitstekend slachtoffer.

Van het ene op het andere moment besloot ik niet meer naar het café te gaan. Dagen en avonden vol rust volgden. Ik sliep niet meer onrustig in en ik werd ontspannen en rustig wakker.

Maar eigenlijk gaat het me nu niet om dat café maar om Facebook.

In een café zijn leuke mensen en vervelende mensen die ruzie zoeken en dat zijn ook vaak de mensen die we vermijden.

Op Facebook heb je ook die types, mensen die ruzie zoeken, en net als in het café loop ik met een boog om ze heen en vind mijn geluk aan hun andere kant.