Mapuchevriendje

Bij mijn terugkomst in de vertrekhal werd ik apart geroepen. Ik moest mij helemaal uitkleden en een politievrouw visiteerde mij. Ze deed een plastic handschoen aan, smeerde vaseline op haar vinger en duwde me naar voren. Ik moest bukken en met kracht ging ze mijn kont in, daar draaide ze rond en vond natuurlijk niets. Nadat ze haar vinger had teruggetrokken ontsnapte er een lange fluitende wind uit mijn gat. De lucht was niet te harden. Voor mij viel het wel mee want het was mijn eigen scheet maar de politieagente kneep demonstratief haar neus dicht. Dat maakte me niet uit. Mijn kont deed zeer en ik was woedend. Hierna werd ik meegenomen voor een verhoor. Ze verscheurden de flyer die Sayen me had gegeven, noemden me Indianenvriend en zeiden dat ze wisten dat ik de gewapende strijd van de Indianen steunde. Zij hadden de Mapuche overwonnen en de trots die de Mapuche voelden over het feit dat ze niet overwonnen waren door de Inca´s en de Spanjaarden hadden de Chilenen de kop ingedrukt want zij hadden ze wel overwonnen. Ik wist eerlijk gezegd niet waar ze het over hadden. Ik had me niet echt verdiept in de Chileense politiek. Ik maakte me meer zorgen over mijn aansluiting naar Puerto Montt al kookte ik van woede over hoe ze mij behandelden en hoe ze ongetwijfeld de Mapuche zelf nog slechter zouden behandelen. ´Wat moest je met die Mapuche? Waarom zongen ze voor je?’ Ik gaf ze steeds hetzelfde antwoord. Ik had ze in het vliegtuig ontmoet. Ze hadden daar voor me gezongen en ze hadden me beloofd hun muziek te laten horen. Ik was op reis om de plek te vinden waar mijn moeder de laatste jaren van haar leven had doorgebracht. Ik wist niets van Chileense politiek en behalve Salvador Allende kende ik geen enkele Chileens politicus van naam. Twintig minuten voor mijn vliegtuig zou vertrekken leken ze me te geloven. Strak geboeid werd ik naar de gate gebracht waarna ze me de boeien afdeden en me toesnauwden dat ze me in de gaten hielden. De politieagente siste me nog: ‘Mapuchevriendje’ toe.

Iedereen kent Oranje –

Voor me zaten de drie jongelui te lachen, vooral de jongste had een aanstekelijke lach, ik verstond niets van de taal die ze spraken, het was een zangerige taal met veel u en ts klanken, het klonk lief maar misschien mag je dat niet zeggen van een taal, of zou je dat alleen niet mogen zeggen van een taal van een inheems volk. Op Google had ik gezien dat er Mapuche indianen op Isla de Chiloé woonden en volgens mij waren dit Mapuche. Ik besloot ze aan te spreken en vroeg of ze ook Spaans spraken. Het meisje knikte, hierna wist ik niets te zeggen maar zij was erg nieuwsgierig en vroeg waar ik vandaan kwam. Ik vertelde haar dat ik uit Nederland kwam en tot mijn verbazing kende ze Nederland. Oranje. Haar broers of haar zoontjes kenden van Persie en Schneider, de kleine generaal. Meestal verveelde zo’n gesprek mij meteen. Natuurlijk stond ik achter Oranje als ze meededen aan een of ander groot toernooi en als ik er aan dacht wilde ik zelfs wel naar een wedstrijd kijken en hard juichen als er gescoord werd. Ik had zelfs gehuild toen Nederland de finale verloor bij het Wereldkampioenschap in 2010. Ik was niet ontroostbaar geweest maar het meisje waar ik toen mee was had me graag getroost. Maar nu met deze kleurrijke mensen voor me knikte ik enthousiast, Schneijder, Huntelaar, van der Vaart, Robben. Ze knikten enthousiast. Ik ook. Toen vroeg ik ze of ze van het Isla de Chiloé waren maar helaas, ze kwamen uit de bergen, ze waren Pehuenches. Hierna stokte onze conversatie, we hadden nu ongeveer alles wel gezegd over het Nederlands Elftal maar het meisje bleef me aankijken en vertelde me dat ze muzikanten waren en dat ze opgetreden hadden in Mexixo stad.