‘In mijn jeugd kende ik niemand die gay was’
Interview: Tim van Erp
Fotografie: Martijn Gijsbertsen

‘Je favoriete lesbische oma’, zo noemt Dia Huizinga zichzelf sinds een paar jaar. De geuzennaam is ontstaan op haar zwemclub Gay Swim Amsterdam, waar een nieuw lid haar vragen over vroeger stelde. “Of ik erbij was toen vrouwencafé Saarein in 1978 werd geopend, bijvoorbeeld. Ja, daar was ik bij. Terwijl we in gesprek waren, dacht ik: ik zou je moeder kunnen zijn. Maar zij was twintig en ik zeventig, dus die gedachte klopte niet helemaal. Ik kon haar óma zijn, besefte ik.”
Of die lesbische oma per se een wijze dame is, weet ze niet, glimlacht Huizinga. Maar ze heeft veel meegemaakt – en moe van vragen over vroeger wordt ze nooit. “Het is zelfs heel belangrijk dat ik die beantwoord, vind ik. Dat jongere generaties besef hebben van alles wat er voor hen kwam.”
Ouder worden brengt onherroepelijk veranderingen met zich mee. “Vanaf mijn veertigste werd ik bij het uitgaan anders bekeken. Als een oud vrouwtje. Bij het COC ging ik destijds elke week naar de vrouwendansavond. Toen ik voor het eerst zo’n blik kreeg – zo van: wat moet jij hier? – vond ik dat helemáál niet leuk. Na verloop van tijd ben ik opgehouden met uitgaan. Ik kreeg telkens het gevoel dat ik er niet bij hoorde.”
Op deze leeftijd is dat weer anders. “Een paar jaar geleden besloot ik met een jongere vriendin naar queer festival Milkshake te gaan – daar ben ik nu drie keer geweest. Kwamen er de hele tijd mensen naar me toe om te zeggen hoe leuk ze het vonden dat ik er was. Lang geleden werkte ik in de Melkweg en vond ik het zelf ook heel leuk als er oudere mensen stonden te dansen.”

Niet met mannen praten
Huizinga groeide op in Hilversum, dat ze beknellend vond. “Ik dacht als klein kind al: ik moet naar Amsterdam. Ik wist vanaf mijn tiende dat ik lesbisch ben, maar had er veel moeite mee. Ik kende niemand die gay was. Nou ja, één homoseksuele man van tv, Albert Mol. De meeste mensen zagen het toen ik puber was als grote zonde.”
Eenmaal in de hoofdstad leerde ze tal van andere queer vrouwen kennen. “Algauw speelde ik een actieve rol in de lesbische beweging. Ik was radicaal lesbisch. Elke dag was ik in het Vrouwenhuis aan de Nieuwe Herengracht als onderdeel van een groep anarchistische lesbiennes die streed tegen het patriarchaat.
“We gingen enkel uit in vrouwencafés of naar vrouwenavonden. Met mannen praatte ik niet. Ook geen homoseksuele. Die werelden hielden we vijftig jaar terug apart. Ik denk dat wij vrouwen de behoefte hadden ons af te scheiden, onszelf te vinden.”
Het was destijds in haar kringen ‘in’ om progressief te zijn, zegt ze. “Dat is nu voor mijn gevoel heel anders. Het idee dat er zoveel jonge jongens zijn die zo’n Andrew Tate geweldig vinden, vind ik heel erg.”
Antiburgerlijk is ze nog steeds een beetje. “Toen in 2001 het huwelijk werd opengesteld voor koppels van gelijk geslacht, hoefde dat van mij helemaal niet. Trouwen was iets voor de hetero’s, vond ik. Nu vind ik het juist mooi dat de jongste generatie queers niet beter weet dan dat ze mogen trouwen.”
Deze foto’s met foto’s van 12 anderen zijn te zien in de tentoonstelling Queer Amsterdam in het Stadsloket in Amsterdam
Plaats een reactie