Uit: De Blauwe Haai ~ Juan Carlos

Juan Carlos, een local die een huis van taken en bladeren in het bos had gebouwd, kwam naast me zitten. Hij keek me glazig aan, hij had vast al een joint gerookt van de wiet die hij ergens diep in het bos op een geheime plek verbouwde.

‘Hey Teddy, ‘ zei hij gepast, ‘what is wrong, you look like you saw a ghost.’ Hij begon te giegelen.

‘I just got a message my mother died, she was eaten by a shark.’

Juan Carlos verschoot van kleur, hij verslikte zich en begon te hoesten. Hierna begon hij te lachen, heel hard lachte hij, zo hard dat hij er bijna in stikte.

Ik sloeg mijn laptop dicht, riep tegen de serveerster dat Juan Carlos betaalde en dat ze hem hij die eieren moest geven en sprong op mijn scooter. Weg van hier. Naar het strand. Water. Branding. Zwemmen.

Ik zwom de baai over van rechts naar links, iets achter de branding, het water was hier een meter of tien diep, zeilboten lagen voor anker. Rechts van me, ruim een kilometer hiervandaan schatte ik, lag de Grote Stille Oceaan. Honderden, misschien duizenden kilometers zuidelijker in dezelfde Stille Grote Oceaan,  had  mijn moeder haar einde gevonden. Even bekroop me de gedachte om richting Oceaan te zwemmen, voor die kilometer draaide ik mijn hand niet om, ik zou zwemmen en zwemmen en doorzwemmen, net zolang tot ik niet meer kon. De dood door verdrinking zou me treffen. Misschien werd ik al eerder gevonden door een haai of door een walvis of orka zoals je die hier soms zag en zou ik als visvoeder dienen.

Niemand zou me missen. Misschien Tante Lili. Mijn vader was allang dood, mijn broer en zus zag ik al jaren zeer sporadisch, oude vrienden had ik niet. Ik was al zolang uit Nederland weg. Na de Middelbare School had ik mijn boeltje gepakt en was de wereld over gaan reizen. Overal waar ik was maakte ik vrienden die ik nooit meer zou zien of slechts voor een maand per jaar zoals hier in Zihuat. Niemand bleef in mijn leven en ik bleef in niemands leven. Waarom zou ik in leven blijven? Wat hield me hier? Ik had geld genoeg, nog wel maar dat zou over een paar jaar en een aantal jaren reizen misschien op zijn, hoewel dat niet waarschijnlijk was, ik had geen geldzorgen, ik had geen uitdagingen en ik was laf. Ik durfde niet het water op te gaan en mezelf zo uit te putten dat ik zou zinken. Ik was bang voor mijn laatste seconden, als ik me zou realiseren dat dit het was, dat dit het einde was, dat ik ging stikken. Eén keer nog zou ik mijn mond open doen, ik zou nog één keer proberen lucht in mijn longen te zuigen maar er was geen lucht meer, het zou water zijn dat ik naar binnen zoog, mijn longen zouden vol water komen  en ik zou stikken.  Doodsbang zwom ik verder. Mijn hartslag bonkte door mijn lijf.  Ik had mezelf waanzinnig bang gemaakt. De enige manier die ik kon bedenken om mezelf te kalmeren was mijn slagen te tellen. Elke keer als ik met mijn rechterhand instak telde ik. Ik ademde om de slag aan de rechterkant in en blies onder water uit, overhaal, inademen, insteken, tellen, uitademen en verder weer en opnieuw . Soms raakte ik de tel kwijt. Dan begon ik weer van voren af aan. Het tellen en de regelmaat kalmeerden me en de overkant kwam in zicht. Ik had zeker drie kwartier gezwommen en was de baai over. Ik sloeg links af en zwom naar het strand. Aan het einde van Playa del Ropa lag Restaurant la Perla. Daar at ik altijd iets nadat ik gezwommen had.   Ik was met ze overeen gekomen dat ik ze elke week een bedrag gaf waar ik voor kon eten zodat ik geen geld hoefde mee te nemen als ik zwom. La Perla had overheerlijke ontbijt gerechten, Amerikaanse pancakes met bosbessen, Eggs Benedict, goede koffie en uitmuntende verse sappen. Ik nam de Eggs benedict, een koffie met warme melk en een kokosnootsap.

Een paar honderd meter van me vandaan zag ik de strooien hoed van Juan Carlos het strand opkomen, Juan Carlos zat eronder en ik hoopte dat hij me niet zou zien. Ik zag hoe zijn hoofd zoekend alle kanten op ging en ik had een vermoeden dat hij op zoek naar mij was. Daar had ik helemaal geen zin in en ik wenkte Carlito, de zoon van de eigenaar. Ik noemde Juan Carlos’ naam en maakte er een beweging bij alsof ik een keel wilde doorsnijden. Het leek me duidelijk.

Carlito lachte en ik wist dat hij Juan Carlos van me vandaan zou houden. De meeste hardwerkende Mexicanen hadden niets met Juan Carlos die blowde, zijn geld verdiende met het illegaal kopiëren van cd’s, seks had met toeristen en zijn eigen huis had gebouwd. Ze vonden hem maar een parasiet. Carlito zette een parasol op zijn kant waardoor Juan Carlos mij pas zou kunnen opmerken als hij voor la Perla stond. Ik nam aan dat hij mij zocht om excuses te maken maar ik had geen zin in zijn stonede ogen en zijn aanbod om een joint met hem te gaan roken. Als ik iets niet nodig had was het vergetelheid. Deze klap. De dood van mijn moeder. Opgegeten door een haai. Dit moest ik onder ogen zien. Ik moest iets doen. Iets verzinnen. Daar had ik een helder hoofd voor nodig.

Disclaimer: Ik is niet ik. Dit is fictie en elke overeenkomst met een levend persoon is zuiver toeval.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s