
1980
We hadden geen hoge verwachtingen toen we eindelijk de Jaren Tachtig in gingen. De economische recessie was begonnen, negen procent van de Nederlandse beroepsbevolking was werkeloos waaronder de meeste van mijn vriendinnen. Over onze hoofden werd een Koude Oorlog uitgevochten die vooral ging tussen de Verenigde Staten en de Sovjet Unie maar die, zo dachten wij, als een kernoorlog op ons grondgebied zou worden uitgevochten. Het sombere adagium van de punkbeweging No future leek bewaarheid te worden
In het lesbische anarcho kunstzinnige klussende milieu van hippies, krakers, punkers, muzikanten en dievegges waar ik in verkeerde, dachten we: ‘Eerst maar die 1984 halen’.
Ons lesbisch zijn is verweven met een hippie achtergrond, de uitspraken van de anarchiste Emma Goldman die ‘If I can’t dance to it, it’s not my revolution’ zou hebben gezegd, en de radicale Jill Johnston, die predikt dat elke vrouw lesbisch is behalve zij die het nog niet weet.
De energie van punk (in ons haar), de strakheid van de New Wave (in onze colberts en schoenen) en het politieke bewustzijn van de vrouwenbeweging (in onze gewonnen ruimten) geven een dynamische draai aan deze dreigende tijden.
Vlak nadat de oude Koningin Juliana haar troonsafstand heeft aangekondigd verschijnt overal in de stad op muren en kadekanten de leus: Geer woning, geen kroning. Deze onheilspellende boodschap komt van de kraakbeweging. De messen zijn geslepen.

Wij houden nog niet van haar dochter Beatrix die op 30 april tot koningin gekroond gaat worden; een feestje voor adel, koningshuizen en andere rijken, Amsterdam verandert van vrijhaven tot onneembare vesting waar je met pasjes op straat loopt en gek wordt van de herrie die de helikopters maken die dagen lang boven de stad hangen. lk woon niet in een kraakpand, ik ben niet bepaald een klusser of op die manier avontuurlijk. Ik betaal netjes huur en werk als kok in de Melkweg. Wel sta ik achter de beweegredenen van de krakers: Leegstand is een misdaad. Vanwege speculatie staan panden jarenlang leeg. Amsterdam lijkt een rot gebit vol gaten.
Met een lesbo uit Bologna, die ik via het informele Internationale Lesbische Netwerk ken, zit ik op de schrikkeldag van het jaar 1980 in Vrouwencafé Saarein. We klinken met espresso en jenever op de Internationale Solidariteit als met veel kracht de deur wordt open geduwd. Een groep ruig geklede vrouwen komt het café binnen. Hun ogen stralen. ‘We hebben gewonnen’, zingen ze. Een vrouw met een roodgele hanenkam heeft een draagbare radio aan haar oor die afgestemd staat op Radio Stad, het lokale radiostation. In de Vondelstraat zijn door een grote groep krakers drie pelotons ME verjaagd.
‘Binnen tien minuten konden de provinciaaltjes het niet meer aan,’ roept een triomfantelijke stem. Voor ontruimings- acties worden uit het hele land politiemensen gedetacheerd.
De meiden bestellen bier en vertellen het verhaal van de roemloze af- tocht van de politie, onder een regen van stenen, tientallen malen. Voor het toilet boven heeft zich een rij gevormd. Vrouwen gaan met groepjes naar binnen en komen met verwilderde blikken hun neus ophalend naar buiten. Op het waterreservoir ligt een schoon gewreven zakspiegeltje. Beneden heeft zich een groep verzameld die de krakers gaat ondersteunen. Eigenlijk zouden ze het liefste willen dat het café dichtgaat en wij allemaal mee gaan. Er wordt druk overlegd maar het café blijft open en zal eventueel vrouwen doorsturen. 0ok wij slaan de uitnodiging af. Wij hebben iets anders te doen. Wij gaan naar een opening.
Onze lesbische vriendin Karen Kverneness uit Seattle verkoopt confectiekunst in haar winkel Art Something aan de Herengracht Als in een gewone winkel ligt de kunst opgestapeld in schappen en op een paar grote uitstallingtafels. Vanavond heeft ze een nieuwe serie binnen uit New York. Voor fl 12,30 verkoopt ze leren mapjes waar een veiligheidsspeld doorheen zit. ‘Betty goes punk’ staat er in uitgeknipte krantenletters op. Het neusje van de lesbische zalm en andere kunstfreaks doen zich te goed aan de Amerikaanse uien- soep-yoghurtdip, ingevlogen bagels met cream cheese, Rootbeer en Four Roses bourbon. Een blonde kortgeschoren nachtegaal in een mantelpak staat achter een zwart kastje met een keyboard. Met het aanraken van één toets speelt ze een ritmisch akkoord. Het klinkt vrolijk, fris, haar stem als een geschenk uit de hemel en we luisteren ademloos.
Op het feestje bij KK heerst solidariteit met de krakers maar verder voelt niemand de behoefte te gaan kijken dus lopen de Bolognese en ik getweeën door het kale en stille Vondelpark naar de Vondelstraat.

Op de Constantijn Huygensstraat heerst een onwezenlijke sfeer.
De brug ligt vol klinkers en er zijn barricades opgeworpen op de hoek van de Roemer Visscherstraat. Hier geen overwinnings- roes. Eerder een opgefokte gespannenheid. Aan de gevel van het gekraakte pand hangt een buitgemaakte politiepet. Een groepje jongens praat, voor ons onhoorbaar, indringend in op een dronken maat die lallend achterover hangt. Een groep ineen gestrengelde figuren zit bij een olielamp naar een kleine transistorradio te luisteren. Een warm aangeklede jongen met een zwarte helm op zijn hoofd houdt ons tegen. ‘Wat komen jullie doen?’ ‘Kijken,’ antwoord ik. ‘Voor pottenkijkers hebben we geen plek. Wegwezen.’ Hij draait zich om. Hij is uitgepraat. Uit het groepje ineengestrengelde figuren maakt zich een gestalte los. Ik herken Tilt, een vrouw die ik ken uit het vrouwencafé. Ze klimt over de barricade en loopt een stukje met ons mee. ‘Ze zijn opgewonden de mannen, het testosteron giert ze door het lijf. Ze verwachten de ME, en willen lekker vechten, boys will be boys.’
Ze geeft me een stevige por.
‘Ik snap hem wel. Mijn testosteron is me ook aan het likken,’ vervolgt ze, ‘en aan het kietelen, ook ik heb zin in seks. We laten alleen mensen hier binnen van wie we zeker zijn Als je mee wilt vechten ben je welkom maar jij, als ouwe hippie bent niet zo van geweld.’ Ze heeft gelijk. We schudden handen, Tilt slaat me op de schouder en lacht haar scheve lach. Wij keren ons om en gaan de andere kant op.
Plaats een reactie