Uit De Blauwe Haai~ Beatriz

Het begon donker te worden, het basketbalveld was verlicht met helle lampen waar grote zwermen muggen in dansten. De heerlijke zwoele avond begon. Gil was uitgespeeld en kwam weer naast me zitten. De meiden waren weg nadat ze me allemaal een high five hadden gegeven . Een van de meisjes, een stevige, atletische meid van een jaar of zeventien had me daarbij diep in de ogen gekeken. Te diep was het geweest, haar blik had me de zekerheid gegeven dat ze van de vrouwenliefde was en ik speelde met de gedachte om haar als ik terug was uit Chili eens uit te nodigen voor een drankje om haar de beginselen bij te brengen van de Sapphische liefde. Ik voelde dat mijn onderbuik begon te kriebelen en even dacht ik niet aan Het Nieuws. De oogopslag van het meisje had warme herinneringen bij me opgeroepen aan die keren dat ik verliefd was geweest, en de gedachte aan haar en al die vrouwen waar ik van gehouden had gaf me een zwaar gevoel in mijn buik en ik ervoer een lichte sensatie in mijn hoofd.

Gil stootte me aan: ‘Je ziet er weer beter uit, het heeft je goed gedaan, dit spelletje. Zullen we nog een potje?’ Ik sloeg zijn aanbod af en hij bleef zitten. Hij had me eerder gezegd dat hij wilde spelen om na te denken en ik vroeg me af of hij had na gedacht, wat hij had bedacht en of hij het met me zou delen. Er kwam niks meer uit hem. Hij keek voor zich uit en liet de basketbal tussen zijn benen op en neer stuiteren.
‘Had je nog wat bedacht, Gil,‘ vroeg ik, ‘je wilde toch nadenken?’
‘Ja, ja, zei hij haastig, ‘ik heb nagedacht, je moet naar die plek waar dat ongeluk is gebeurd.’
Hij had dus niets nieuws bedacht, niets waar ik zelf ook niet was opgekomen, ik was teleurgesteld maar kon het hem niet kwalijk nemen want het was laat, heet,druk, maar toch was ik ontgoocheld. Ik had gehoopt dat Gil iets wist dat ik niet wist of dat hij ergens aan gedacht had waar ik niet aan had gedacht.
‘Goed idee, Gil, bedankt. Ik ga naar de Fruitbar om mijn reis te boeken.’
Ik drukte zijn hand.
‘Graag gedaan en als ik ooit nog wat voor je doen kon, je kunt me altijd hier vinden.’ Hij strompelde terug naar het veld. Omdat hij zo lang was had hij een sjokkende loop. Ik keek hem na en voelde me alleen en eenzaam. Er was niemand die me kende, niemand die me begreep, niemand die voor me denken kon. Ik wist wel dat ik dat niet kon verwachten maar soms verlangde ik zo naar iemand die iets zou zeggen waar ik zelf nog niet aan gedacht had.
Somber liep ik terug naar de Fruitbar. Ik zou nog een fruitshake nemen en misschien nog een koffie want ik moest mijn koffer pakken. Misschien zou ik nog ook nog het Internet opgaan en mijn email checken. Kijken of ik wat gehoord had van mijn broer of zus. Natuurlijk was het zo dat het bericht van de dood van onze moeder te gevoelig was om te mailen maar Tante Lili had dat gedaan en wat hadden ze dan gedacht hoe ik er achter zou komen? Hadden ze misschien willen wachten tot ik teug in Nederland zou zijn midden april? De stilte die uitging van Jozef en Dalia maakte mijn al treurige stemming er niet beter op. Ze schreven me alleen met mijn verjaardag en op de dag dat onze moeder verdween. Deze dag hadden we altijd met ons drieën herdacht, als ik in Nederland was gingen we meestal ergens Indonesische rijsttafel eten, iets dat mijn moeder graag gedaan had toen ze nog bij ons woonde.

Dolores verwelkomde me uitgebreid, ze had een samenzweerderige grijns op haar gezicht en en gaf me omslachtig een roze enveloppe die naar zoete parfum rook.
‘Van Beatriz,’ lachte ze. ‘Beatriz? Het zei me niks. ‘je hebt vanavond met haar gebasketbald.’ Dolores gaf me een knipoog, ‘zo’n stoere, atletische meid met korte haren en een Nike trainingspak.’ Bij de woorden stoer en atletisch wist ik meteen op wie ze doelde. Het jonge meisje dat me zo diep in de ogen had gekeken. Mijn hart sprong op, de eenzaamheid die ik zo net nog zo intens voelde verdween achter een gordijn van lust. Ze had me een brief geschreven. Ik wilde hem ter plekke open scheuren maar Dolores keek me net te nieuwsgierig aan en zo ontspannen mogelijk bestelde ik met een kriebel in mijn buik een fruitshake en een koffie en ging ik naar het terras om in alle rust te lezen wat Beatriz van me wilde.
‘Lieve, liefste Teddy
Ik vind je zo mooi, je bent zo lief. Mijn hele hart en lichaam verlangt naar jou. Ik verlang er naar je wangen te kussen, je ogen te kussen. Ik verlang er naar jouw strelingen te ontvangen. Mijn hart bonst in mijn keel iedere keer als ik je zie. En ook dat zachte plekje bonst. Ik verlang er zo naar dat jij me beroert. Ik zal vanavond op je wachten op het derde bankje bij de haven en als je vanavond niet komt wacht ik morgen op je.
Veel liefs van jouw Beatriz’

Deze hartstochtelijke woorden benamen me bijna de adem. Zat ik tien minuten geleden nog op de bodem van een donkere put, nu zweefde ik met roze vleugels die put uit.
Dolores stond naast me met mijn bestelling. ‘Wil ze een afspraakje met je?’ vroeg ze belangstellend. ‘Ze was hier een paar minuten geleden. Volgens mij is ze verliefd op je.’ Ze keek me zo lief aan dat het me ontroerde en ik besloot haar een eerlijk antwoord te geven. ‘Ik ga zo naar haar toe,’ zei ik en ik nam een slok van mijn koffie en verslikte me. Dit was toch niet te geloven. Dit jonge meisje had belangstelling voor mij. Op deze dag die begonnen was als de afschuwelijkste dag van mijn leven ontving ik een liefdesbrief.

Facebook

Facebook

Ik vergelijk Facebook altijd met een stamcafé. Ooit had ik een stamcafé, ik kwam er elke dag, in het begin ontbeet ik er op weg naar mijn werk maar het was nooit druk op die tijd dus het café veranderde de openingstijd en ik ontbeet ergens anders.

Jaar in jaar uit ging ik naar dat café. Ik flipperde, zat met mijn vriendinnen, versierde vrouwen, dronk cola, rookte joints en deed eind jaren zeventig nog andere dingen in het café. Ik had het er enorm naar mijn zin, het was mijn plek en ik vond het helemaal niet erg dat ik gezien werd als een meubelstuk. Na een jaar of twintig of misschien was het vijftien jaar kwam de klad er in, de klad in mijn vreugde. Ik vond het er niet fijn meer.

Ik had mijn vriendinnen waar ik mee optrok en om gaf en de andere stamgasten in het café bevielen me niet meer. Er werd vreselijk geroddeld en ik wist door dat geroddel op een gegeven moment meer over mensen die ik amper kende dan over mijn vriendinnen. Ik wilde het niet meer en de keren dat ik nog in het café kwam dacht ik: wat doe ik hier.

Mijn medestamgasten kwamen vooral in het café omdat ze hielden van drank. Sommigen hadden een vrolijke dronk, anderen tetterden me de oren van mijn kop en weer anderen hadden een kwade dronk en was ik met mijn cola, joint en zachte hart een uitstekend slachtoffer.

Van het ene op het andere moment besloot ik niet meer naar het café te gaan. Dagen en avonden vol rust volgden. Ik sliep niet meer onrustig in en ik werd ontspannen en rustig wakker.

Maar eigenlijk gaat het me nu niet om dat café maar om Facebook.

In een café zijn leuke mensen en vervelende mensen die ruzie zoeken en dat zijn ook vaak de mensen die we vermijden.

Op Facebook heb je ook die types, mensen die ruzie zoeken, en net als in het café loop ik met een boog om ze heen en vind mijn geluk aan hun andere kant.

Veranderd Nederland

Hoe Nederland veranderd is in de zestig jaar dat ik leef. Dat gestress met die CITO toets, dat had je niet toen ik op wat toen nog de Lagere School heette. Ik deed toelatingsexamen voor het Lyceum en ik kon gewoon naar de keuze van mijn ouders. Ik had zelf niks in te brengen en had ook geen echte mening over waar ik naar toe zou willen.

Nu lees ik in Het Parool dat basisschoolleerlingen al een waslijst aan keuzes voor scholen moeten maken zodat als ze uitgeloot zijn voor hun favoriete school er iets anders op hun lijstje staat. Wat een keuzes, uitgeloot worden op je elfde of twaalfde, wat een gruwel en ook een keuze moeten maken uit vele mogelijkheden, ook een gruwel.

En dan die CITO test… Gisteren viel ik na het zwemmen in een uitzending met gekleurde jonge Nederlanders die vertelden over hun ervaringen  met racisme.

Hoe gruwelijk!

Een meisje met een Marokkaanse achtergrond vertelde dat zij ondanks een score van 540 (zegt me eerlijk gezegd niks), het schooladvies kreeg om naar een praktijkschool te gaan, gelukkig had ze een strijdbare moeder die voor haar in de bres sprong maar ze vertelde dat alle gekleurde kinderen bij haar in de klas een praktijkschooladvies kregen. De moeder die verhaal kwam halen kreeg te horen dat: ‘ ja haar dochter had een 540 score op de toets maar dat was maar een momentopname’ , mijn mond viel open. Woede, schaamte en onbegrip zorgden voor deze beweging. Bij dat meisje was het blijkbaar een momentopname waar geen waarde aan zat, en bij de blanke kinderen in de klas was het geen momentopname? Wat een verschrikkelijkheid, wat me op een ander punt brengt en dat is de verrijking in Nederland met mensen uit andere landen en andere achtergronden.

Mijn lagere school was blank en gereformeerd. Ik vond het een verschrikkelijke school en begrijp nog steeds niet goed waarom mijn ouders me op die school hebben gedaan. Soms denk ik dat het goed is dat ze zo jong overleden zijn want anders had ik ze nog wel eens aan de oren getrokken: waarom die school…en waarom dat niet….en waarom

Nu ze dood zijn kan ik ze dat niet meer vragen en dat is misschien maar goed ook want wat hadden ze met dat soort vragen gemoeten, het was gebeurd, ze hebben het gedaan omdat ze dachten dat het veilig was, we hoefden namelijk geen gevaarlijke weg over te steken en konden gewoon zelf naar school lopen.

Iets dat ik trouwens ook deed toen ik vier was en naar de kleuterschool ging, mijn moeder was de route een keer met me gelopen, ze leerde me drie keer te kijken als ik overstak, eerst naar links, dan naar rechts en dan weer naar links en dat deed ik braaf, ik liep alleen naar school, een heerlijk wandelingetje van een minuut of twintig denk ik nu

Dat kon toen ook nog, een klein kind alleen naar school laten gaan.

Nu zijn er auto’s en kinderlokkers, die had je toen ook, dat is niet veranderd.

Wat ook veranderd is in die zestig jaar zijn de Nederlanders zelf, we waren in mijn ogen best een rustig volk, uitbundigheid zat niet in de aard van de Nederlanders maar die aard is helemaal veranderd, Nederlanders zijn helemaal niet meer bescheiden en rustig, ze brullen, ze schreeuwen, nou ja, niet mijn kopje thee.

Maar Nederland is een land in beweging, we bewegen ons voort naar de toekomst, soms met onze rug erheen, soms met onze ogen dicht. Ik ben misschien het type dat me naar voren beweegt met mijn gezicht naar het verleden.

Vroeger was alles anders, vroeger was alles mooi, maar vroeger is dood.

Vroeger bestaat niet meer.

Vroeger als er weer een stuk land ontgonnen werd omdat er in de toekomst huizen nodig waren en ik huilend tegen mijn vader waar zijn die bomen gebleven zei mijn vader:

Dit is de vooruitgang.

En vooruit gaan we om nooit weer terug te keren.

Uniek

Elk mens wil uniek zijn en vaak proberen we die uniciteit te vinden in iets buiten ons. Zo las ik gisteren een bericht op Facebook dat een X in de palm van je hand iets heel bijzonders betekende en dat slecht 3% van de mensen deze X had, hoeveel mensen 3% is van de miljarden mensen die leven laat ik over aan mensen die geen discalculie hebben maar het zijn er misschien wel een miljoen?

In ieder geval waren er binnen tien minuten al 5 reacties  op het artikel, allemaal van mensen die een X in hun handpalm hadden, sommigen hadden alleen een X in de linkerhand, anderen in allebei en er was ook iemand met meerdere X’en.

Zelf heb ik een X in beide handpalmen en behoor ik dus ook tot die 10%? (oh nee het was 3%).

Maakt me dit uniek?

Ja.

En nee. Het feit dat ik X’en in mijn hand heb maakt me niet uniek. Wat me wel uniek maakt is dat ik ik ben. Er is niemand als ik. Er is niemand met de kleur ogen als ik, er is niemand die op dezelfde manier als ik grijs wordt, er is niemand die tien centimeter onder mijn heup een kuiltje in haar dij heeft, er is niemand die  hetzelfde ziet als ik als ze uit het raam kijkt, niemand die zwemt als ik en niemand die zo denkt als ik. Ik ben uniek, net als jij.

We zoeken naar iets dat ons uniek maakt maar we hoeven eigenlijk helemaal nergens naar te zoeken, want we zijn zelf wat ons uniek maakt.

Wit

Wit
Ondanks mijn lichte ogen en mijn donkerblonde haar heb ik mij nooit ‘wit’ gevoeld.
Ook niet toen ik een kind was met lichtblond haar.
Mijn moeder was niet wit, niet dat ik dat toen zo benoemde, dat deden andere mensen wel, maar mijn broertje en zusje waren helemaal niet wit en vooral mijn zusje was donker. Bruin was ze.
Allebei mijn broer en mijn zus werden gepest omdat hun huidskleur donkerder was dan van de meeste kinderen. Mijn broer werd gepest door Nederlandse jongetjes en mijn zus werd gepest door mijn broer en misschien ook wel door andere kinderen maar ik zag mijn broer als ik uit school kwam in een kring met blonde kinderen die dingen naar hem riepen en met stenen naar hem gooiden.
Ik was vier jaar jonger maar ik sprong ertussen: Blijf van mijn broer af. De kinderen waren verbaasd dat zo’n klein blond kind ertussen sprong en ze hielden op met schelden en stenen gooien. Ik hield altijd mijn ogen open wat er gebeurde met mijn broer en sprong er steeds opnieuw tussen als ze mijn broer grepen.
Mijn zus troostte ik als ze weer was uitgescholden door mijn broer vanwege haar bruine huid, het was en is te pijnlijk voor allebei om zijn woorden te herhalen.
Later verhuisden we naar een ‘betere’ buurt in Hilversum waar mijn moeder er een schoon en kleurrijk huishouden op na hield, er werd over ons gepraat, we waren zigeuners, blauwen, (naam voor Indonesiërs of Indische mensen) zwart werden we niet genoemd want er waren eigenlijk nog helemaal geen zwarte mensen in Nederland.
Veel wisten we niet over de afkomst van onze moeder. Ze was opgegroeid in een weeshuis, zonder iets te weten over haar afkomst maar dit is een ander verhaal, dat ik misschien ooit nog eens een keer vertel.
Pas vorig jaar begreep ik dat ik de achterkleindochter ben van een jongen die in slavernij geboren is, is vrijgekocht en opzichter werd op een plantage waar mijn grootmoeder is geboren en hij zelf het leven liet door het mes van een Indische contractarbeider.
Ik heb mij altijd meer ‘gekleurd’ gevoeld dan wit hoewel natuurlijk mijn vader wit was of blank al zag hij er volgens zijn broers uit als een blanke neger.
Ik heb net zoveel wit in me als zwart of misschien nog wel meer wit dan zwart en ik weet dat mijn vader het toch droef vond dat ik het gevoel had geen wortels te hebben terwijl zijn voeten in de klei stonden.

Depressie – 1

Er is de laatste tijd meer aandacht voor depressie.

Is dat zo?

Ik hoor en lees er meer over. De Koning sprak over zijn depressieve vader, al heb ik dat niet gezien en de jonge prins Harry sprak ook over zijn depressie en hoe hij hulp had en hoe het weer voorbij is. Maar dat had ik ook niet gezien.

Toen las ik erover in de zaterdagbijlage van Trouw, het werd dapper genoemd dat de jonge prins Harry erover had gesproken

En ik, hoe zit het dan met ik?