Gender

Ik heb me eigenlijk nooit vrouw gevoeld, als kind voelde ik me nooit een jongetje of een meisje, ik voelde me kind, als tienjarige werd ik wreed met mijn neus op het feit gedrukt dat ik als vrouw met vrouwelijke geslachtskenmerken was geboren. Ik werd ongesteld. Vlak nadat mijn moeder me had voorgelicht ontdekte ik een bruine afscheiding en riep mijn moeder me bij zich.

‘Weet je nog waar we het laatst over hadden?’
‘Over dat ongesteld en zo?’
‘Ja,’ zei mijn moeder, ‘ volgens mij ben je ongesteld geworden, die bruine vlekken in je onderbroek? Dat is bloed.’
‘Nee,’ riep ik, ‘ daar ben ik nog veel te jong voor.’

Ook mijn zus was er niet blij mee, zij was twee jaar ouder en zij was net begonnen met bloeden en zij vond mij te jong maar er was niets meer aan te doen.

Mijn vruchtbare jaren waren aangebroken.

De ellende was begonnen. Ik kreeg borsten waar ik een hekel aan had en ik stopte met groeien. Was ik altijd een groot kind geweest, iedereen groeide me nu voorbij, elke drie weken voelde ik me beroerd en dat werd steeds erger, de tweede dag van elke menstruatie lag ik krom van de pijn, mijn borsten deden vreselijk zeer en op een gegeven moment had ik anderhalve week last van PMS. De avond voor ik menstrueerde zwom ik tergend langzaam en samen met mijn vriendin AT beklaagden we ons over onze borsten die we er het liefst af wilden. (AT heeft dat onlangs gedaan en hij is een man geworden). In het Lesbisch Prachtboek verscheen een artikel van Maaike Meijer over het jongensmeisje waar ik mij helemaal in kon vinden.

De enige momenten waarop ik het fijn vond om een vrouw te zijn was als ik verliefd was en samen met een andere vrouw de lichamelijke liefde beleefde.

In de jaren 90 hoorde ik steeds meer over genderdysforie en ook de FTM, het geboren meisje dat een jongen is, werd bekender. Ik realiseerde me dat ik als ik  twintig was geweest, ik zeker naar de genderkliniek was gegaan om te beginnen aan het transformatieproces.

Maar die transformatie was toen voor mij niet meer urgent. Nadat mijn geliefde ouders kort na elkaar overleden kwam ik in een depressie en was het belangrijker te overleven en mijn vreugde in het leven terug te vinden.

Tijdens mijn depressie kwam ik in de overgang, over die ellende wil ik het op dit moment niet hebben, maar op een gegeven moment hield ik op met menstrueren, een van de beste dingen die me in mijn leven zijn overkomen. Het bloeden hield op, die cyclus van euforie omdat ik weer bloedde tot de treurnis van de PMS en cirkel zo maar door was voorbij.

Voor het eerst van mijn leven haatte ik het niet meer als vrouw geboren te zijn.

Liefde, vriendschap en afkeer op het eerste gezicht.

Bestaat er zoiets als liefde op het eerste gezicht? En bestaat er zoiets als afkeer op het eerste gezicht?

Een tijdje geleden ontmoette ik iemand en ik hield eigenlijk meteen van haar, ik wist niets van haar, alleen dat ik van haar hield, ik kende haar niet, ik kende niemand die haar kende en aan wie ik informatie kon vragen over haar, ik wist niet waar zij van hield, wat ze graag at, of ze aan sport deed, of ze rookte of ze vrij was. Ik voelde wel dat ze mij ook leuk vond en een avond lang zat ik in een bubbel van liefde.

De bubbel hield nog even aan, behalve haar bevrienden op Facebook wist ik niet wat ik verder kon doen en langzaam is de bubbel aan het leeglopen.

Meer dan een mensenlevenlang geleden ontmoette ik op een expositie van een gemeenschappelijke vriendin een vrouw waarmee ik vriendschap op het eerste gezicht voelde, het werd iets meer dan vriendschap maar al snel werd ze zwanger en de baby was niet van mij.
De vriendschap doofde uit.

En dan is er die vrouw waar ik een hekel aan heb op het eerste gezicht, een hekel is misschien te zwaar uitgedrukt, of misschien niet zwaar genoeg want van deze vrouw heb ik een afkeer.

Ik weet dat ik haar ken uit een heel heel ver verleden toen haar toenmalige vriendin mij altijd the pearl under the girls noemde, ik was haar eigenlijk allang weer vergeten tot ze opdook tijdens een bizar spel. Met koele en koude ogen bekeek ze, onpersoonlijk wat er zich onder haar ogen afspeelde.

Soms zie ik haar en griezel ik.

Afkeer op het eerste, tweede en derde gezicht.

Gaat het ook zo met liefde?

En met vriendschap?

Droom

Droom: Ik ben terug in Amsterdam en ik fiets naar huis. De hele stad ligt open, ze zijn met de wegen bezig en er ligt overal nieuw asfalt maar de verbinden tussen de wegen is nog niet gemaakt. Ik kom uit Oost en ben op weg naar mijn nieuwe huis dat ergens in de buurt van de Marnixstraat ligt.

Ik ben dus verhuisd en ik ben er blij om want daar woon ik dichterbij ‘waar alles gebeurt’, vanuit mijn oude huis moest ik altijd een kwartier fietsen voor ik maar in de buurt kwam. Ik fiets ergens daar bij de molen, in de buurt van het Tropenmuseum, ik ben geloof ik een beetje de verkeerde kant op gereden maar bedenk me dat ik natuurlijk ook bovenlangs kan gaan naar de Marnixstraat en ik zoek de ingang naar de Hoogte Kadijk, daar is het ook helemaal veranderd, er zijn gebouwen weg en de ingang van de straat ligt ergens anders, ik herken het helemaal niet maar zie gelukkig ergens aan een gevel een oud bordje waar Kadijk op staat. Ik fiets er in en bedenk me dat hier twee vriendinnen van me wonen, misschien zal ik er even langs?

Ik besluit het niet te doen, zij zijn een gelukkig stel en dat is wel het laatste waar ik nu zin in heb, een stel. Ik kom langs een informeel restaurant/café, het is in de brede maar smalle voorkamer van een huis, er zitten mensen gezellig te eten, er zijn ook enkele intieme plekken en ik verlang naar de tijd dat ik daar zelf intiem zal eten met een lieve vriendin. Dan loop ik in een smalle gang die vol ligt met sla, sla rosso is het geloof ik en die ligt te drogen, aan de zijkanten staan allerlei groene kruiden, basilicum, munt, oregano. De sla ligt op trappen en op de grond, ik neem een krop mee en begin alvast te eten, ik scheur er blaadjes af, het is heerlijk en knapperig, gang na gang, deur na deur, de sla ligt er op een gegeven niet meer maar wel bakken en potten vol kruiden, ik eet van de sla maar ben me er goed bewust van dat deze sla niet van mij is en als ik bij de buitendeur kom leg ik de sla in een bloembak waar kruiden in groeien en ik denk dat ze de sla wel zullen vinden.

Uit: De Blauwe Haai ~ Juan Carlos

Juan Carlos, een local die een huis van taken en bladeren in het bos had gebouwd, kwam naast me zitten. Hij keek me glazig aan, hij had vast al een joint gerookt van de wiet die hij ergens diep in het bos op een geheime plek verbouwde.

‘Hey Teddy, ‘ zei hij gepast, ‘what is wrong, you look like you saw a ghost.’ Hij begon te giegelen.

‘I just got a message my mother died, she was eaten by a shark.’

Juan Carlos verschoot van kleur, hij verslikte zich en begon te hoesten. Hierna begon hij te lachen, heel hard lachte hij, zo hard dat hij er bijna in stikte.

Ik sloeg mijn laptop dicht, riep tegen de serveerster dat Juan Carlos betaalde en dat ze hem hij die eieren moest geven en sprong op mijn scooter. Weg van hier. Naar het strand. Water. Branding. Zwemmen.

Ik zwom de baai over van rechts naar links, iets achter de branding, het water was hier een meter of tien diep, zeilboten lagen voor anker. Rechts van me, ruim een kilometer hiervandaan schatte ik, lag de Grote Stille Oceaan. Honderden, misschien duizenden kilometers zuidelijker in dezelfde Stille Grote Oceaan,  had  mijn moeder haar einde gevonden. Even bekroop me de gedachte om richting Oceaan te zwemmen, voor die kilometer draaide ik mijn hand niet om, ik zou zwemmen en zwemmen en doorzwemmen, net zolang tot ik niet meer kon. De dood door verdrinking zou me treffen. Misschien werd ik al eerder gevonden door een haai of door een walvis of orka zoals je die hier soms zag en zou ik als visvoeder dienen.

Niemand zou me missen. Misschien Tante Lili. Mijn vader was allang dood, mijn broer en zus zag ik al jaren zeer sporadisch, oude vrienden had ik niet. Ik was al zolang uit Nederland weg. Na de Middelbare School had ik mijn boeltje gepakt en was de wereld over gaan reizen. Overal waar ik was maakte ik vrienden die ik nooit meer zou zien of slechts voor een maand per jaar zoals hier in Zihuat. Niemand bleef in mijn leven en ik bleef in niemands leven. Waarom zou ik in leven blijven? Wat hield me hier? Ik had geld genoeg, nog wel maar dat zou over een paar jaar en een aantal jaren reizen misschien op zijn, hoewel dat niet waarschijnlijk was, ik had geen geldzorgen, ik had geen uitdagingen en ik was laf. Ik durfde niet het water op te gaan en mezelf zo uit te putten dat ik zou zinken. Ik was bang voor mijn laatste seconden, als ik me zou realiseren dat dit het was, dat dit het einde was, dat ik ging stikken. Eén keer nog zou ik mijn mond open doen, ik zou nog één keer proberen lucht in mijn longen te zuigen maar er was geen lucht meer, het zou water zijn dat ik naar binnen zoog, mijn longen zouden vol water komen  en ik zou stikken.  Doodsbang zwom ik verder. Mijn hartslag bonkte door mijn lijf.  Ik had mezelf waanzinnig bang gemaakt. De enige manier die ik kon bedenken om mezelf te kalmeren was mijn slagen te tellen. Elke keer als ik met mijn rechterhand instak telde ik. Ik ademde om de slag aan de rechterkant in en blies onder water uit, overhaal, inademen, insteken, tellen, uitademen en verder weer en opnieuw . Soms raakte ik de tel kwijt. Dan begon ik weer van voren af aan. Het tellen en de regelmaat kalmeerden me en de overkant kwam in zicht. Ik had zeker drie kwartier gezwommen en was de baai over. Ik sloeg links af en zwom naar het strand. Aan het einde van Playa del Ropa lag Restaurant la Perla. Daar at ik altijd iets nadat ik gezwommen had.   Ik was met ze overeen gekomen dat ik ze elke week een bedrag gaf waar ik voor kon eten zodat ik geen geld hoefde mee te nemen als ik zwom. La Perla had overheerlijke ontbijt gerechten, Amerikaanse pancakes met bosbessen, Eggs Benedict, goede koffie en uitmuntende verse sappen. Ik nam de Eggs benedict, een koffie met warme melk en een kokosnootsap.

Een paar honderd meter van me vandaan zag ik de strooien hoed van Juan Carlos het strand opkomen, Juan Carlos zat eronder en ik hoopte dat hij me niet zou zien. Ik zag hoe zijn hoofd zoekend alle kanten op ging en ik had een vermoeden dat hij op zoek naar mij was. Daar had ik helemaal geen zin in en ik wenkte Carlito, de zoon van de eigenaar. Ik noemde Juan Carlos’ naam en maakte er een beweging bij alsof ik een keel wilde doorsnijden. Het leek me duidelijk.

Carlito lachte en ik wist dat hij Juan Carlos van me vandaan zou houden. De meeste hardwerkende Mexicanen hadden niets met Juan Carlos die blowde, zijn geld verdiende met het illegaal kopiëren van cd’s, seks had met toeristen en zijn eigen huis had gebouwd. Ze vonden hem maar een parasiet. Carlito zette een parasol op zijn kant waardoor Juan Carlos mij pas zou kunnen opmerken als hij voor la Perla stond. Ik nam aan dat hij mij zocht om excuses te maken maar ik had geen zin in zijn stonede ogen en zijn aanbod om een joint met hem te gaan roken. Als ik iets niet nodig had was het vergetelheid. Deze klap. De dood van mijn moeder. Opgegeten door een haai. Dit moest ik onder ogen zien. Ik moest iets doen. Iets verzinnen. Daar had ik een helder hoofd voor nodig.

Disclaimer: Ik is niet ik. Dit is fictie en elke overeenkomst met een levend persoon is zuiver toeval.

Reciteren

Veertien jaar geleden begon ik in deze maand met het dagelijks reciteren van Nam myoho renge kyo.

Ik was er voor het eerst mee in aanraking gekomen in Florence, waar wij na het Derde Internationale Vrouwenfestival met een internationale groep lesbische vriendinnen in een blauw Volkswagenbusje naar toe waren gereden.

Het was 1979.

Onderweg  sliepen we in het veld, of op de helling van de berg zoals ergens in Zwitserland waar we gewekt werden door een oude boer die verbaasd en verheugd was over al die vrouwen op zijn bergweide. Onder ons lag een groot meer, ik denk dat het het meer van Geneve was, het was een onvergetelijk uitzicht. De boer nodigde ons uit voor een ontbijt op zijn boerderij, terwijl zijn vrouw in de keuken eieren aan het bakken was maakte hij van de gelegenheid gebruik de borsten van P te betasten, een sensuele voluptueuze fotografe uit New York.

Onze eerste stop in Italië was in Milaan. Een groot kraakpand vol lesbiennes. Een vierkante binnenplaats waar drie verdiepingen met galerij op uitkeken. Hier woonden twee van de vrouwen die in ons busjes zaten, ze waren geliefd want toen wij met ons busje de binnenplaats opreden kwamen ze naar buiten en juichten en klapten.

Mijn toenmalige vriendin en ik waren allebei verliefd op P die al een aantal jaren een relatie had met J die er natuurlijk ook bij was.

We slenterden door het zakelijke Milaan waar iedereen bijzonder goed gekleed was. We leerden enkele woordjes Italiaans, bekeken de Dom van buiten en aten ijs en fruit bij een ijssalon.

Onze volgende stop was een lesbiënne in Venetië. We parkeerden de auto ergens buiten de stad en liepen met onze tassen en rugzakken het nachtelijke Venetië in. We hadden een adres ergens bij het San Polo, een hek, een binnenplaatsje en een trap naar het appartement dat  genoeg kamers voor ons allemaal bevatte. De volgende morgen werd ik wakker door getoeter buiten en twee mannen in bootjes waren aan het ruzie maken over wie er voorrang had.

Bij het ontbijt zetten de vrouw des huizes een spuit, ze bleek de heroïnedealer van Venetië te zijn. Als zij het plein van San Polo opliep kwamen vanuit alle hoeken, stegen en gaten de junks te voorschijn aan wie ze haar heroïne verkocht.

Een paar jaar later kwam ze naar Amsterdam om af te kicken, ze woonde bij ons en probeerde met Vitamine C haar gewoonte te breken. Het lukte en ze vertrok weer naar Venetië.

Zij gaf ons de adressen van vrouwen in  Florence waar we welkom waren en we vertrokken naar Florence.

Eerst gingen we naar Saturnia. Daar waren geneeskrachtige zwavelbronnen. De heroïnedealster zei dat we gewoon onze neus achterna moesten gaan want het was weer laat toen we vertrokken, P & J hadden altijd veel tijd nodig met inpakken dus ik denk dat we rond een uur of acht ’s avonds vertrokken.

Midden in de nacht kwamen we in Saturnia aan, de geur van rotte eieren volgend, eerst met de auto en toen we niet verder konden op onze neus de duisternis in.

De hele nacht zaten we in het borrelende water, we spraken onze verwachtingen van het leven uit, gooiden onze angsten het water in en zagen tot onze verassing toen de volgende ochtend de zon op kwam dat aan de overkant van de bronnen een helling van een berg was waar schapen opliepen. Opnieuw een onvergetelijk uitzicht.

Onderweg naar de auto werden we geronseld als druivenplukkers en de rest van de dag plukten we druiven voor een flink aantal lires.

In Florence scheidden onze wegen zich enigszins, P & J gingen naar de overkant van de Arno en C en ik zaten in een huis aan de Via del Moro.

Daar hoorde ik voor het eerst Nam myoho renge kyo.

Er was geen douche in het huis maar toen ik de volgende morgen onze gastvrouw in de gang tegen kwam zag ze er zo schoon en gewassen uit.

‘Ik dacht dat er geen douche was,’ zei ik.

Ze begon te lachen. ‘ Ik heb net gemediteerd,’ zei ze.

‘En dan zie je eruit of je gedoucht hebt?’ Ik was verbaasd. ‘Wat doe je dan?’

‘Ik chant Nam myoho renge kyo’ zei ze.

Donker

Er was nog licht in de lucht en warmte op straat toen ik om half elf uit het zwembad kwam en ik besloot de weg door de parken te nemen. De weg door de stad is korter maar drukker. Vol auto’s brommers drinkende mensen in cafes.
Ik fietste door het park en dacht aan vroeger. Hoe ik altijd voor een paar uur in de donkere nacht verdween als het zomer was en ik buiten was. Hoe ik op een open plek in het bos of op het strand op de grond ging liggen en hoe alleen en gelukkig ik mij voelde.

Ver weg. Alleen in de duisternis. Met de sterren.