Droom

Droom: Ik ben terug in Amsterdam en ik fiets naar huis. De hele stad ligt open, ze zijn met de wegen bezig en er ligt overal nieuw asfalt maar de verbinden tussen de wegen is nog niet gemaakt. Ik kom uit Oost en ben op weg naar mijn nieuwe huis dat ergens in de buurt van de Marnixstraat ligt.

Ik ben dus verhuisd en ik ben er blij om want daar woon ik dichterbij ‘waar alles gebeurt’, vanuit mijn oude huis moest ik altijd een kwartier fietsen voor ik maar in de buurt kwam. Ik fiets ergens daar bij de molen, in de buurt van het Tropenmuseum, ik ben geloof ik een beetje de verkeerde kant op gereden maar bedenk me dat ik natuurlijk ook bovenlangs kan gaan naar de Marnixstraat en ik zoek de ingang naar de Hoogte Kadijk, daar is het ook helemaal veranderd, er zijn gebouwen weg en de ingang van de straat ligt ergens anders, ik herken het helemaal niet maar zie gelukkig ergens aan een gevel een oud bordje waar Kadijk op staat. Ik fiets er in en bedenk me dat hier twee vriendinnen van me wonen, misschien zal ik er even langs?

Ik besluit het niet te doen, zij zijn een gelukkig stel en dat is wel het laatste waar ik nu zin in heb, een stel. Ik kom langs een informeel restaurant/café, het is in de brede maar smalle voorkamer van een huis, er zitten mensen gezellig te eten, er zijn ook enkele intieme plekken en ik verlang naar de tijd dat ik daar zelf intiem zal eten met een lieve vriendin. Dan loop ik in een smalle gang die vol ligt met sla, sla rosso is het geloof ik en die ligt te drogen, aan de zijkanten staan allerlei groene kruiden, basilicum, munt, oregano. De sla ligt op trappen en op de grond, ik neem een krop mee en begin alvast te eten, ik scheur er blaadjes af, het is heerlijk en knapperig, gang na gang, deur na deur, de sla ligt er op een gegeven niet meer maar wel bakken en potten vol kruiden, ik eet van de sla maar ben me er goed bewust van dat deze sla niet van mij is en als ik bij de buitendeur kom leg ik de sla in een bloembak waar kruiden in groeien en ik denk dat ze de sla wel zullen vinden.

Uit: De Blauwe Haai ~ Juan Carlos

Juan Carlos, een local die een huis van taken en bladeren in het bos had gebouwd, kwam naast me zitten. Hij keek me glazig aan, hij had vast al een joint gerookt van de wiet die hij ergens diep in het bos op een geheime plek verbouwde.

‘Hey Teddy, ‘ zei hij gepast, ‘what is wrong, you look like you saw a ghost.’ Hij begon te giegelen.

‘I just got a message my mother died, she was eaten by a shark.’

Juan Carlos verschoot van kleur, hij verslikte zich en begon te hoesten. Hierna begon hij te lachen, heel hard lachte hij, zo hard dat hij er bijna in stikte.

Ik sloeg mijn laptop dicht, riep tegen de serveerster dat Juan Carlos betaalde en dat ze hem hij die eieren moest geven en sprong op mijn scooter. Weg van hier. Naar het strand. Water. Branding. Zwemmen.

Ik zwom de baai over van rechts naar links, iets achter de branding, het water was hier een meter of tien diep, zeilboten lagen voor anker. Rechts van me, ruim een kilometer hiervandaan schatte ik, lag de Grote Stille Oceaan. Honderden, misschien duizenden kilometers zuidelijker in dezelfde Stille Grote Oceaan,  had  mijn moeder haar einde gevonden. Even bekroop me de gedachte om richting Oceaan te zwemmen, voor die kilometer draaide ik mijn hand niet om, ik zou zwemmen en zwemmen en doorzwemmen, net zolang tot ik niet meer kon. De dood door verdrinking zou me treffen. Misschien werd ik al eerder gevonden door een haai of door een walvis of orka zoals je die hier soms zag en zou ik als visvoeder dienen.

Niemand zou me missen. Misschien Tante Lili. Mijn vader was allang dood, mijn broer en zus zag ik al jaren zeer sporadisch, oude vrienden had ik niet. Ik was al zolang uit Nederland weg. Na de Middelbare School had ik mijn boeltje gepakt en was de wereld over gaan reizen. Overal waar ik was maakte ik vrienden die ik nooit meer zou zien of slechts voor een maand per jaar zoals hier in Zihuat. Niemand bleef in mijn leven en ik bleef in niemands leven. Waarom zou ik in leven blijven? Wat hield me hier? Ik had geld genoeg, nog wel maar dat zou over een paar jaar en een aantal jaren reizen misschien op zijn, hoewel dat niet waarschijnlijk was, ik had geen geldzorgen, ik had geen uitdagingen en ik was laf. Ik durfde niet het water op te gaan en mezelf zo uit te putten dat ik zou zinken. Ik was bang voor mijn laatste seconden, als ik me zou realiseren dat dit het was, dat dit het einde was, dat ik ging stikken. Eén keer nog zou ik mijn mond open doen, ik zou nog één keer proberen lucht in mijn longen te zuigen maar er was geen lucht meer, het zou water zijn dat ik naar binnen zoog, mijn longen zouden vol water komen  en ik zou stikken.  Doodsbang zwom ik verder. Mijn hartslag bonkte door mijn lijf.  Ik had mezelf waanzinnig bang gemaakt. De enige manier die ik kon bedenken om mezelf te kalmeren was mijn slagen te tellen. Elke keer als ik met mijn rechterhand instak telde ik. Ik ademde om de slag aan de rechterkant in en blies onder water uit, overhaal, inademen, insteken, tellen, uitademen en verder weer en opnieuw . Soms raakte ik de tel kwijt. Dan begon ik weer van voren af aan. Het tellen en de regelmaat kalmeerden me en de overkant kwam in zicht. Ik had zeker drie kwartier gezwommen en was de baai over. Ik sloeg links af en zwom naar het strand. Aan het einde van Playa del Ropa lag Restaurant la Perla. Daar at ik altijd iets nadat ik gezwommen had.   Ik was met ze overeen gekomen dat ik ze elke week een bedrag gaf waar ik voor kon eten zodat ik geen geld hoefde mee te nemen als ik zwom. La Perla had overheerlijke ontbijt gerechten, Amerikaanse pancakes met bosbessen, Eggs Benedict, goede koffie en uitmuntende verse sappen. Ik nam de Eggs benedict, een koffie met warme melk en een kokosnootsap.

Een paar honderd meter van me vandaan zag ik de strooien hoed van Juan Carlos het strand opkomen, Juan Carlos zat eronder en ik hoopte dat hij me niet zou zien. Ik zag hoe zijn hoofd zoekend alle kanten op ging en ik had een vermoeden dat hij op zoek naar mij was. Daar had ik helemaal geen zin in en ik wenkte Carlito, de zoon van de eigenaar. Ik noemde Juan Carlos’ naam en maakte er een beweging bij alsof ik een keel wilde doorsnijden. Het leek me duidelijk.

Carlito lachte en ik wist dat hij Juan Carlos van me vandaan zou houden. De meeste hardwerkende Mexicanen hadden niets met Juan Carlos die blowde, zijn geld verdiende met het illegaal kopiëren van cd’s, seks had met toeristen en zijn eigen huis had gebouwd. Ze vonden hem maar een parasiet. Carlito zette een parasol op zijn kant waardoor Juan Carlos mij pas zou kunnen opmerken als hij voor la Perla stond. Ik nam aan dat hij mij zocht om excuses te maken maar ik had geen zin in zijn stonede ogen en zijn aanbod om een joint met hem te gaan roken. Als ik iets niet nodig had was het vergetelheid. Deze klap. De dood van mijn moeder. Opgegeten door een haai. Dit moest ik onder ogen zien. Ik moest iets doen. Iets verzinnen. Daar had ik een helder hoofd voor nodig.

Disclaimer: Ik is niet ik. Dit is fictie en elke overeenkomst met een levend persoon is zuiver toeval.

Reciteren

Veertien jaar geleden begon ik in deze maand met het dagelijks reciteren van Nam myoho renge kyo.

Ik was er voor het eerst mee in aanraking gekomen in Florence, waar wij na het Derde Internationale Vrouwenfestival met een internationale groep lesbische vriendinnen in een blauw Volkswagenbusje naar toe waren gereden.

Het was 1979.

Onderweg  sliepen we in het veld, of op de helling van de berg zoals ergens in Zwitserland waar we gewekt werden door een oude boer die verbaasd en verheugd was over al die vrouwen op zijn bergweide. Onder ons lag een groot meer, ik denk dat het het meer van Geneve was, het was een onvergetelijk uitzicht. De boer nodigde ons uit voor een ontbijt op zijn boerderij, terwijl zijn vrouw in de keuken eieren aan het bakken was maakte hij van de gelegenheid gebruik de borsten van P te betasten, een sensuele voluptueuze fotografe uit New York.

Onze eerste stop in Italië was in Milaan. Een groot kraakpand vol lesbiennes. Een vierkante binnenplaats waar drie verdiepingen met galerij op uitkeken. Hier woonden twee van de vrouwen die in ons busjes zaten, ze waren geliefd want toen wij met ons busje de binnenplaats opreden kwamen ze naar buiten en juichten en klapten.

Mijn toenmalige vriendin en ik waren allebei verliefd op P die al een aantal jaren een relatie had met J die er natuurlijk ook bij was.

We slenterden door het zakelijke Milaan waar iedereen bijzonder goed gekleed was. We leerden enkele woordjes Italiaans, bekeken de Dom van buiten en aten ijs en fruit bij een ijssalon.

Onze volgende stop was een lesbiënne in Venetië. We parkeerden de auto ergens buiten de stad en liepen met onze tassen en rugzakken het nachtelijke Venetië in. We hadden een adres ergens bij het San Polo, een hek, een binnenplaatsje en een trap naar het appartement dat  genoeg kamers voor ons allemaal bevatte. De volgende morgen werd ik wakker door getoeter buiten en twee mannen in bootjes waren aan het ruzie maken over wie er voorrang had.

Bij het ontbijt zetten de vrouw des huizes een spuit, ze bleek de heroïnedealer van Venetië te zijn. Als zij het plein van San Polo opliep kwamen vanuit alle hoeken, stegen en gaten de junks te voorschijn aan wie ze haar heroïne verkocht.

Een paar jaar later kwam ze naar Amsterdam om af te kicken, ze woonde bij ons en probeerde met Vitamine C haar gewoonte te breken. Het lukte en ze vertrok weer naar Venetië.

Zij gaf ons de adressen van vrouwen in  Florence waar we welkom waren en we vertrokken naar Florence.

Eerst gingen we naar Saturnia. Daar waren geneeskrachtige zwavelbronnen. De heroïnedealster zei dat we gewoon onze neus achterna moesten gaan want het was weer laat toen we vertrokken, P & J hadden altijd veel tijd nodig met inpakken dus ik denk dat we rond een uur of acht ’s avonds vertrokken.

Midden in de nacht kwamen we in Saturnia aan, de geur van rotte eieren volgend, eerst met de auto en toen we niet verder konden op onze neus de duisternis in.

De hele nacht zaten we in het borrelende water, we spraken onze verwachtingen van het leven uit, gooiden onze angsten het water in en zagen tot onze verassing toen de volgende ochtend de zon op kwam dat aan de overkant van de bronnen een helling van een berg was waar schapen opliepen. Opnieuw een onvergetelijk uitzicht.

Onderweg naar de auto werden we geronseld als druivenplukkers en de rest van de dag plukten we druiven voor een flink aantal lires.

In Florence scheidden onze wegen zich enigszins, P & J gingen naar de overkant van de Arno en C en ik zaten in een huis aan de Via del Moro.

Daar hoorde ik voor het eerst Nam myoho renge kyo.

Er was geen douche in het huis maar toen ik de volgende morgen onze gastvrouw in de gang tegen kwam zag ze er zo schoon en gewassen uit.

‘Ik dacht dat er geen douche was,’ zei ik.

Ze begon te lachen. ‘ Ik heb net gemediteerd,’ zei ze.

‘En dan zie je eruit of je gedoucht hebt?’ Ik was verbaasd. ‘Wat doe je dan?’

‘Ik chant Nam myoho renge kyo’ zei ze.

Donker

Er was nog licht in de lucht en warmte op straat toen ik om half elf uit het zwembad kwam en ik besloot de weg door de parken te nemen. De weg door de stad is korter maar drukker. Vol auto’s brommers drinkende mensen in cafes.
Ik fietste door het park en dacht aan vroeger. Hoe ik altijd voor een paar uur in de donkere nacht verdween als het zomer was en ik buiten was. Hoe ik op een open plek in het bos of op het strand op de grond ging liggen en hoe alleen en gelukkig ik mij voelde.

Ver weg. Alleen in de duisternis. Met de sterren.

Voor G ~ een les in schrijven

G schreef me:

Ik vind het zo knap dat je daar allemaal zo schrijft. Ik heb moeite met een verhaal verzinnen een daarna vorm te geven. Ik geloof dat ik alleen autobiografisch kan schrijven! Hahaha

Ik zou haar willen schrijven, doe een cursus, een schrijfcursus of misschien een songtekst cursus, leer schrijven.

Hoe leer je schrijven? Door het gewoon te doen.

Ik herinner me dat toen ik de Schrijversvakschool deed, ik in het tweede jaar maanden zat te klooien. Ik kreeg het niet voor elkaar iets te schrijven. Ik vond niets goed genoeg, als ik een zin geschreven had, gooide ik die na eindeloos herkauwen weer in de prullenbak met als gevolg dat er niets op papier stond en ik elke keer niets inleverde.

Langzaamaan nam mijn negatieve zelfbeeld het over, ik kon het niet, ik zou het nooit kunnen en misschien moest ik  mijn droom schrijver te worden maar opgeven.

Mijn docent was Arie Storm, ik vond hem een geweldige docent en ik geloof dat hij veel vertrouwen in mijn schrijverschap had, het eerste korte verhaal dat ik had geschreven had hij lovend besproken en hij zag mij ploeteren. Hij wilde mij niet opgeven en hij zei me dat ik de volgende week tien pagina’s moest inleveren en als  dat me niet lukte ik gewoon moest ophouden.

Ik ging naar huis, ging achter de computer zitten en begon als een gek te schrijven. Zonder enige aarzeling of zelfcensuur, het interesseerde me opeens helemaal niet meer of ik het nu wel of niet kon, ik wilde schrijven en dat is wat ik deed, ik dacht niet na, ik schreef het verhaal dat in me zat, het verhaal van Zet die een meisje ontmoet en met haar naar huis gaat. Ik gebruikte dingen uit mijn eigen leven zoals het kraakpand waar het meisje haar mee naar toe neemt en ik gebruikte een nacht met een meisje en ik verzon de rest bij elkaar, al waren het dingen die in mijn leven gebeurd waren het waren geen dingen die in mijn leven gebeurd waren, het gevoel dat ik beschreef was het gevoel dat ik had gehad maar niet met deze specifieke situaties.

De volgende week leverde ik mijn tien pagina’s in en Arie zei dat dat precies was wat hij bedoelde.

Dit is voor mij schrijven, schrijven en niet nadenken over de schoonheid van een zin of over grammaticaliteit.

Uiteindelijk ben ik afgestudeerd aan de Schrijversvakschool met nog een ander die begon in hetzelfde jaar. De eerste dag was ons al gezegd dat van de 20 mensen die begonnen er maar twee zouden afstuderen.

Esther Naomi Perquin die nu de Dichter des Vaderlands is, studeerde tegelijk met mij af, een toffe en leuke vrouw met een spannende kijk op de dingen.

Voor G: schrijf gewoon, hou je niet in, zet die pen op papier of  open Word op je elektronische ding waar je op schrijft en begin.

Als je over je eigen leven wilt schrijven maar niet duidelijk wilt maken dat jij het bent geef de hoofdpersoon een andere naam, schrijf het in de derde persoon, laat je moeder je vader zijn en je vader je moeder, woon in een ander dorp, gebruik je eigen verhaal om een ander verhaal te maken

Wat ik mis is vriendschap

Disclaimer: Alles is fictie. Ik ben ik maar ik ben het niet.

Wat ik weet dat ik mis is vriendschap. Ik reis de hele wereld rond, ontmoet mensen, deel soms mijn hart, soms mijn bed. Geregeld vertel ik iemand die ik nooit meer zal zien mijn hele leven. Het verhaal wordt begripvol ontvangen met ohs en ahs en er wordt op mijn hand geklopt, een arm om me heen geslagen, soms word ik aan een boezem gedrukt, een andere keer reikt iemand me een zakdoekje aan. Af en toe nodigt iemand me uit voor een lekkere maaltijd. De meeste mensen zie ik nooit meer. We wisselen verhalen uit. We wisselen verhalen uit alsof het geld is of snoep. Jij vertelt me jouw verhaal en dan vertel ik jou het mijne. Ik ken je niet dus ik kan diep gaan maar ik weet niet meer hoe ik echt diep moet gaan. Ik weet niet meer wat het betekent een echte vriendschap te hebben en te onderhouden. Ik was al nooit echt dik bezaaid met vriendschappen. Ik had altijd mijn geheim waardoor ik niet vond dat ik een vriend kon zijn, ik wilde nooit open zijn en in een vriendschap is het nodig om open te zijn. Ik wilde nooit het onderste boven laten komen en eigenlijk wil ik dat nog steeds niet.

Ik vertel mijn verhaal. Over het grote huis aan het Vondelpark in Amsterdam waar we woonden. De seksverslaving van mijn vader die ervoor zorgde dat mijn moeder ons verliet toen ik vijftien was en hoe niet lang daarna mijn vader stierf. Altijd waren mensen geschokt als ik ze over de omstandigheden vertelde hoe mijn vader aan zijn einde was gekomen, mensen begonnen soms te lachen waarvoor ze zich meestal schaamden en zich gelijk verontschuldigden, ook waren mensen gefascineerd dat mijn vader zijn eigen drugs maakte en kreeg ik soms hijgerig commentaar van vooral mannen die wilden weten of ik het recept van mijn vader kende en of ik mijn vaders coke weleens gesnoven had.

Dat had ik inderdaad. Vlak nadat mijn moeder was weggegaan lag er een spiegel op de keukentafel met twee grote dikke lijnen van het witte poeder dat mensen in extase bracht. Er lag een zilveren buisje naast. Ik weet dat het aanstellerig klinkt maar het voelde niet alsof ik een keuze had. Het zilveren buisje riep: ‘neem mij op’ ,  de twee rechte lijnen riepen ‘laat ons verdwijnen’.  Ik hoefde geen weerstand te bieden. De ene lijn verdween in mijn linker neusgat en de andere in mijn rechter. Het brandde in de neus, het was een heerlijk gevoel. Vrij snel daarna verdween het gevoel in mijn gehemelte en ook dat voelde fantastisch. Hoewel het maandagavond was en er niet veel te doen was in de stad ging ik de straat op en het Vondelpark in. Mijn gebruikelijke schuchterheid was verdwenen, ik sprak mensen aan die op bankjes zaten en sloot me aan bij een groepje Amerikanen en Fransen die bij het Picassobeeld muziek aan het maken waren. Ik zong hard mee, pakte zelf de gitaar en zong het enige liedje dat ik op de gitaar kon spelen. The Good Book van Melanie een zangeres die nog op Woodstock had gespeeld.

Uit: De Blauwe Haai