Er was die avond toen ik begreep dat er iets mis was.


We waren uitgenodigd bij Yigal en zijn lieve mooie vrouw Ayala die een klein oogje had op mijn Amit. Ze woonden in een benedenwoning aan de Fannius Scholtenstraat. Een halletje met een glazen deur, hierachter een smalle gang met twee deuren, de voorste deur was hun slaapkamer, de deur aan het eind van de gang leidde naar de woonkamer. De muur tussen de woonkamer en de keuken was uitgebroken en in het midden stond een tafel vol met lekkernijen. Heerlijk Israëlisch eten. Humus, falafel en tahina, shakshuka, een gerecht van eieren en tomaten, een salade van komkommer en salade, fijne gesneden groene salade, pitabrood, olijven, avocado’s.

We gingen net aan tafel toen hard de bel schelde.

Yigal liep naar de deur, we hoorden een knal, glasgerinkel en geschreeuw, geluiden van een vechtpartij, iemand viel. Ayala sprong op, riep iets en rende weg, de deur door de tuin in. Amit riep meekomen, wegwezen en ze trok me mee, we renden Ayala achterna die over het hek bij de achterburen klauterde en ook wij sprongen over het hek. Ayala rukte de keukendeur open, er zat een familie tv te kijken, die ons verbaasd aankeek. Ayala rende de kamer door, wij renden achter haar aan, de gang door, de voordeur uit en we renden de Cliffordstraat af, en met een enorme bocht renden we en renden we naar mijn woning in de Van Beuningenstraat. Ayala huilde hysterisch, ze dacht dat Yigal dood was, ze wilde terug naar huis maar ze durfde niet Amit probeerde haar te kalmeren maar Ayala stond erop te gaan.

Amit ging met haar mee.

Yigal was niet dood.

Later hoorde ik dat hij met twee vrienden een benzinestation had overvallen en er vandoor was gegaan met het geld.

Twintig jaar later zou hij de hand aan zichzelf slaan.

Ayala stierf een jaar nadat dit gebeurd was door het gebruik van vergiftigde heroine. Ze had net een zoontje. Die was drie maanden.

Waar was ik in terecht gekomen?

Natregenen & Corona

Foto: Katrien Mulder 
https://www.photoskatrienmulder.com/

Vorige week zaterdag en zondag ben ik nat geregend. De eerste keer was ik op weg naar huis, de tweede keer op weg naar een evaluatie met mijn onvolprezen LoveSwimTeam. Ik zat een tijdje in de natte kleren.
De volgende dag had ik zoals altijd veel plannen, ik zou gaan sporten op de sportschool, zwemmen in het Marnix, misschien een bezoekje aan mijn Amerikaanse vrienden B & M die in een verre buitenwijk van Amsterdam in een hotel zaten maar ik werd snipverkouden wakker, had zware hoofdpijn en wilde mijn bed niet uit.
Ik sliep de hele dag, M belde me en hoorde aan mijn stem dat ik niet in orde was. Ik sliep de hele nacht en ook de volgende dag sliep ik. Ik was de hele afgelopen Coronatijd niet ziek geweest, behalve die ene keer dat ik een blauwalg had binnen gekregen en een nacht lang alles van boven en beneden eruit kwam, dat was op de heetste dag van het jaar. Meestal ben ik elke winter verkouden maar waarschijnlijk door vaak en veel mijn handen te wassen en afstand te bewaren was ik twee jaar niet verkouden geweest.
Tot nu.
En er was iets aan de hand, iets anders.
Als ik ‘ziek’ ben, slaap ik meestal twee dagen en een nacht en kan ik op de tweede nacht de slaap niet vatten, nu wel, ik sliep als een os.
Op woensdag raadde jarige vriendin H mij aan me te testen op Corona, ik ben al vaak getest maar nooit was ik besmet.
Maar nu mag iedereen het weten.
Ik heb Corona.
Ach ja waarom ook niet, iedereen zal het een keer krijgen denk ik en nu heb ik het.
Ik kon niet ruiken, wat ik naar vond, maar gelukkig proefde ik wel alles. Ik stuurde een appje naar mijn LoveSwimTeam en ik had helaas drie mensen besmet.
Ik ben nog steeds niet beter, hoest nog, heb nog hoofdpijn en zit nu al een week binnen.
Ik kan wel weer ruiken.
Een verschil met andere keren dat ik ziek was is dat ik het allemaal gelaten onderga.
En nog een verschil, hoewel ik helemaal niet lekker ben ben ik wel erger ziek geweest.

Hoe ik er aan kom? Dat onderzoeken we nog.

Meer

Lieve lezers en lezeressen

Misschien lijkt het of ik lang niets geschreven heb maar dat is niet zo. Sinds een week of acht ben ik dagelijks aan het schrijven aan het verhaal dat altijd in me lag maar waarvan ik nooit dacht dat ik het op zou schrijven.
In de maand mei doe ik mee met Tijd zal ons leren, een podcast van Romana Vrede en OTION.

Foto: Koen Veldman

Op een zolder boven in Het Nationaal Theater zit ik in een donkere studio. Er staan vier lichtbruine stoelen met twee tafels tussen de stoelen en twee tafeltjes in het midden met op de een een thermoskan met grote glazen en op de ander een waterkan met kleine glazen. Naast elke stoel staat een schemerlamp met een licht dat naar beneden schijnt en een microfoon in een standaard.
Ik heb een aantal weken geleden gereageerd op een mail die ik kreeg van het Nationale Theater: ‘Deel jouw familieverhaal in het nieuwe seizoen van de Tijd zal het leren.’.
Stuur voor 23 april 2022 een voice message van maximaal 2 minuten naar … en wie weet nodigen we je uit in de studio in Den Haag om jouw verhaal in de podcast te komen vertellen!

Ik nam spontaan een kort gedeelte van mijn familiegeschiedenis op en nu zit ik hier, samen met Romana Vrede en OTION. En met Ginny Krijgsman die haar familiegeschiedenis vertelt.
Ik beken al snel dat ik de podcast nooit beluisterd heb, waarom eigenlijk niet? Thuis gekomen zie ik dat ik me wel geabonneerd.
Er hangt een grote kaart aan de muur en Romana vraagt ons om als de opnames beginnen een vlag te planten daar waar ons verhaal over gaat.
Ze beginnen met mij.
Het programma wordt ingeleid door OTION die prachtig zingt en op een keyboard klanken en ritme maakt.
Daarna mag ik beginnen en ik vertel het verhaal van Lilian voor zover ik het weet en wat ik weet.
Het vlaggetje plant ik tussen Paramaribo en Brits-Guyana, daar waar mijn verhaal is, daar waar mijn grootmoeder geboren is en mijn overgrootvader vermoord is.
Ik vertel over Mariënbosch waar ze vandaan komen, waar ze tot slaaf gemaakt zij en ter wereld kwamen, waar ze vrij kwamen en de ketenen van de slavernij verbroken zijn. Ik zeg dat ik hoop dat er liefde was tussen Loth en mijn betovergrootmoeder.
Ik vertel weinig over het verdriet van mijn moeder maar het verhaal gaat over Lilian en hoe ik haar terugbracht naar Coronie.
Romana wil weten waarom ik zo geïnteresseerd ben en ik zeg dat ik dat niet weet maar ik ben het. Ik ben meer geïnteresseerd dan mijn broer en zus.
Ik wil het weten. Ik wil weten hoe het was voor een van mijn voormoeders om rond te lopen in Afrika, vrij rond te lopen en dan gepakt te worden, in een schip geduwd, op zee te zijn in een ruim met anderen die kotsten, ziek waren, neukten, verliefd werden en dan in een volkomen ander land de lucht weer te zien en als handelswaar verkocht te worden aan de meestbiedende.

OTION weet het zo mooi te zeggen, dat ik Lilian terugbracht en hoe dat mijn missie, mijn opdracht geweest is in deze familiegeschiedenis. Hoe hij dat zegt ontroert mij.

Luister de podcast hier: https://www.buzzsprout.com/1740874/10919888

Thuis gekomen besluit ik dit verhaal op te schrijven. Ik hou de jaren aan en verzin de rest.

Ik ben van plan geregeld een stuk van mijn verhaal hier te plaatsen.

Klagen

De Tilexbar in betere tijden.

Klagen

In het boeddhisme dat ik beoefen hangen we het principe aan dat klagen afbreuk doet aan je voorspoed. Zo zijn er boeddhisten die weten dat ze veel klagen en die besluiten om een uitdaging aan te gaan een aantal dagen, soms 100, soms meer of minder, niet te klagen en vaak verandert dat hun hele blik op dingen.

Vandaag stond ik op onze zonovergoten straat te praten met een buurvrouw, ze woont al een halve eeuw in deze buurt en natuurlijk heeft ze de buurt zien veranderen, dat heb ik ook gezien en ik woon hier een kwart eeuw.
Toen zij hier kwam wonen waren er op elke hoek winkels, dat zijn nu kantoren geworden of een tandarts of een verloskundigenpraktijk.
Toen ik hier vijfentwintig jaar geleden kwam wonen zat hier nog een postkantoor op de hoek, daar tegenover een groenteboer en op de hoek zat de bijna altijd verlaten Tilexbar, die alleen druk was als er biljartcompetitie was. De Tilexbar had een lange bar, een paar tafels en er stond een groot biljart in het midden van het café, voor de ramen hingen witte vitrages, het café had iets enorm triest en het bleek dat er zich bij de eigenaresse een drama had afgespeeld.
Vijfentwintig jaar geleden waren alle woningen nog sociale woningbouw en woonden hier veelal oudere echtparen. De woningen werden gesplitst wat de eigenaren de mogelijkheid gaf de woningen te verkopen. De oude mensen stierven of vertrokken naar een bejaardenhuis, jonge gezinnen kochten de huizen en van een redelijk jonge bewoner werd ik de oudere.
De vrouw waar ik mee praatte klaagde een beetje, eerst over haar gezondheid die slecht is, en die misschien nog wel slechter wordt, ze rijdt in een rolstoel en heeft nog maar een been en het andere moet er ook af vertelde ze, ik leefde met haar mee en vertelde haar hoe naar ik voor haar vond. Dat vind ik ook, ik ben zelf verschrikkelijk als ik me maar een millimeter niet goed voel. Tot het moment. Tot het moment dat. Tot het moment dat ze begon over een kennis die drie keer per dag thuisverzorging had en hoe slecht de thuiszorg was. Op dat moment zei ik plompverloren: nu moet ik weg, tot ziens en ik draaide me om. Ze keek verbaasd maar ik maakte me snel uit de voeten.
Onderweg naar huis, een kleine twintig meter dacht ik waarom doe ik dit nou zo abrupt.
Het antwoord is
Als iemand begint te klagen over zijn of haar gezondheid kan ik meeleven, maar als iemand begint te klagen over een buurman die ervaring had met de thuiszorg, de dokter, een winkelier haak ik af, dat wil ik niet horen, dan denk ik weg met dat geklaag, daar ga ik niet naar luisteren en zonder enige beleefdheid in acht te nemen ga ik ervandoor.

De wadi op het Merwedeplein

Meer over Lex van Weren vond ik op Wikipedia:

https://nl.wikipedia.org/wiki/Lex_van_Weren

Februari 1997

Bussum Zuid

Ik heb vandaag je graf bezocht

Een tijd lang stond ik daar en vroeg me af

Of je er was

En of je nog wist hoe het was

Toen we je brachten

Hoe de bomen ruisten en wij met jou tussen ons in

Daar liepen zonder jou,

Zo zonder jou als nooit tevoren

Je zei niets terug, de aarde boven je was bevroren

En de bomen ruisten niet

De trein naar huis had tien minuten vertraging en van het perron

Keek ik uit op de plek waar je ligt

Het waaide en sneeuwde stormen van natte sneeuw.

De invloed van een vader

Twee gaaien op de kersentak

Ik herinner me nog heel goed de dag dat ik mijn eerste wat toen nog ‘Vlaamse’ Gaai heette.
Ik was een jaar of zeven. Ik stond voor het raam naar buiten te kijken.
Op het zandpad voor ons huis zat een prachtige roze vogel met zilverblauwe veren op de vleugels.
Ik riep mijn vader. Die riep ik altijd als ik iets wilde weten of ergens over wilde praten.
‘Vader, vader, ‘riep ik. Bij ons thuis noemden wij onze ouders bij het woord dat ze waren. We noemden onze moeder moeder en onze vader vader. We vonden daar iets moois in zitten.
Vader keek op uit zijn krant.
‘Kijk nou toch eens wat een mooie vogel. Zoiets heb ik nog nooit gezien.’
Vader kwam naar het raam.
‘Dat is een Vlaamse Gaai,’ zei hij en hij ging weer terug naar zijn krant.
Ik zag ze niet vaak meer en een lange tijd zag ik ze nooit.
Tot mijn vader overleed en ik na zijn dood de Gaai weer begon te zien. Het woordje Vlaamse was er af gehaald, de Vlaamse Gaai heette nu Gaai en voor mij was en is de Gaai onlosmakelijk met mijn vader verbonden. Ik kan me bijna nog alle keren herinneren dat ik er een zag, soms in het bos of in het park. Een keer zat ik in een sombere stemming bij een vriendin naar buiten te staren tot in de boom voor haar raam een Gaai kwam zitten die mij aankeek en dat zeker een uur bleef doen. Het was zonder twijfel mijn vader die mij een hart onder de riem stak.
Een week geleden zag ik er twee in mijn tuin.
En net toen ik in de tuin zat te eten kwam een gaai aangevlogen en ging op de tak van de kers zitten. Vlak hierna vloog hij naar de vetbolhouder en begon eraan te pikken. Ik probeerde foto’s te maken met mijn telefoon die meestal niet lukten.

Bij de vetbollen


Met een stukje vet in zijn snavel vloog hij of zij weg naar een andere gaai die op de kersentak zat en voerde de andere gaai het stukje vet.
Mijn geluk kon niet op.
Twee gaaien in mijn tuin.

In de lente van 2022

Mondkapjes terreur

Mijn favoriete mondkapje

Ik reis met de tram naar het Leidseplein. Zoals ik nu al meer dan twee jaar doe heb ik een mondkapje op. Eigenlijk houd ik van het mondkapje. Ik vind het rustig, het maakt me anoniem, als het koud is houdt het mondkapje me warm. Inmiddels heb ik een mondkapje waarbij mijn bril niet meer beslaat.
Bij de halte zie ik dat een mondkapje nog steeds verplicht is.
In de tram verbaas ik me dat er zoveel mensen reizen zonder mondkapje en ook dat er niets van gezegd wordt, ik herinner me nog goed die keer dat ik gehaast de tram in stapte en op een erg agressieve manier via de luidsprekers werd aangesproken door de conductrice. Ik had eerst niet eens in de gaten dat ze het tegen mij had. Ik voelde wel vrij snel dat ik mijn mondkapje niet op had en terwijl ik het opzette hoorde ik hatelijke woorden aan mij gericht, maar nu wordt er niets gezegd. Steeds meer mondkapje-loze mensen stappen in.
We gaan naar de bios mijn zus en ik, naar Drive my car, een film naar een verhaal van Haruki Murakami die net een Oscar heeft gewonnen.
Mijn zus zit al te wachten.
Ik vertel haar met verbazing dat zeker 50% van de passagiers geen mondkapje droeg en dat daar niks van werd gezegd.
‘Vijftig procent?’ herhaalt mijn zus.
‘Ja,’ zeg ik verontwaardigd.
‘En er werd helemaal niks van gezegd.’
Ik begin aan mijn verhaal over die keer dat.
Mijn zus kijkt mij verbaasd aan.
‘Maar weet je dan niet dat je geen mondkapje meer hoeft te dragen?’ vraagt ze.

Vervoer

Fiets

Mijn eerste fiets kreeg ik voor mijn vijfde verjaardag. Ik had al een beetje zo’n vermoeden dat ik een fiets zou krijgen want mijn zus die twee jaar ouder was was druk bezig haar fiets schoon te maken. Dat is een van de kanten van de jongste zijn, een nadelige kant, je krijgt de afdankers van je oudere zus. Dat had ik al snel door. Kreeg zij op haar vijfde een prachtige splinternieuwe fiets, ik moest blij zijn met haar oude fiets. Dat was ik ook.
Ik had een step waar ik de straten mee door racete. Ik vond het heerlijk mijn benen uit te slaan, of beter gezegd naar achteren te slaan en dan hard vooruit te gaan maar een fiets was natuurlijk veel stoerder, ook al had ik een stoere step met rubberen banden.

Mijn rode step

Je had ook kindersteppen, die vond ik natuurlijk kinderachtig. Dat waren houten steppen, met kleine houten wieltjes . Ik had een rode step, groter dan de kinderstep, waar ik de hele buurt mee door crosste. Het was in de jaren vijftig. Er waren nog niet zoveel auto’s op de weg, er was weinig verkeer en mijn moeder had me goed geleerd waar ik moest kijken bij het oversteken van een straat.
Eerst naar links kijken, dan naar rechts kijken en dan nog een keer naar links kijken. Als er niets aankwam mocht ik oversteken. Met de step reed ik op straat aan de rechterkant, ik zoefde over het zwarte asfalt.
Maar met alle liefde ruilde ik mijn step in voor een fiets.
Op mijn verjaardag kwam ons gezin, mijn broertje, mijn zusje, mijn vader en moeder zingend mijn slaapkamer binnen: ‘Lang zal ze leven’ zingend en Oh wat zijn we heden blij, hoera hoera hoera’’ , ik kreeg thee op bed, misschien een beschuitje met suiker en cadeautjes van mijn broer en zus.
In de woonkamer stond de schoongemaakte fiets met een strik en ballonnen. Natuurlijk was ik blij met de fiets maar eerlijk gezegd had ik liever een nieuwe fiets maar die kreeg ik pas toen ik zeven werd.
Mijn vader en mijn zusje leerden me fietsen. Ik zat op het zadel probeerde mijn evenwicht te vinden, ik trapte de trappers rond en mijn vader hield de begagedrager, het achteropzitje vast, ik fietste, als ik mijn evenwicht verloor hield mijn vader de fiets in evenwicht maar al heel snel liet hij los en fietste ik weg.
‘Je fietst los,’ riep mijn zusje enthousiast en ook mijn vader keer erg blij.
Ik was ook blij.
Ik fietste los.
En dat heb ik de rest van mijn leven gedaan. Los gefietst.

Gedachten over de dood

Elke morgen en elke avond, of in ieder geval elke keer als ik gongyo doe wat de belangrijkste beoefening is in het Nichiren Boeddhisme spreken we een gebed uit voor de doden.
Wij noemen hun namen.

Ik begin altijd met het noemen van mijn moeders naam, hierna noem ik mijn vaders naam en hierna komen mijn vriendinnen, ik noem de namen van mijn voorvaders en voormoeders en noem soms de namen van andere doden die ik kende.
Op deze manier leven ze voort.
Vanavond tijdens de gongyo en tijdens dat gebed viel ik opeens in de diepe put van de dood. Opeens realiseerde ik me wat de dood was, dat ik mijn moeder nooit meer zou zien, ik kon wel chanten en haar naam zeggen maar ik zou haar nooit meer zien in de gedaante die ze was, de kleine slanke goedgeklede vrouw met haar gekleurde zachte huid, haar donkere krullen en haar donkere ogen, ik zie haar alleen in mijn gedachten, haar stem was ik meteen kwijt maar haar beeld heb ik nog maar dat is alles wat ik heb, meer heb ik niet en meer is er niet, ze is weg, voorgoed weg, net als mijn vader. Even voelde ik niks van die lijn die ons verbindt, de lijn verdwijnt in het grote gat van het verleden en er is geen vervolg, ik heb geen kinderen en zij die voor mij waren zijn niet meer.
Ik zweef er tussen in.
Het leven is eeuwig en het leven is zo kort. De mensen kennen we zo kort. Verspil geen tijd maak geen ruzie heb lief heb lief heb elkander lief.

De vogelgriep

Ik las vanmorgen zo een triest bericht over de vogelgriep in het AD. De kop was:

Ganzen vallen bij bosjes uit de lucht

overal, ook in woonwijken worden dode vogels gevonden. Bij het artikel zat een kaart, en ook rondom Amsterdam vallen ze en sterven ze. En niet alleen vogels maar ook beesten die vogels eten. Vossen, marters, dassen, bunzingen
Wat me triest maakte was wat Petra de Jong van Dierenambulance Noord-West Veluwe. zegt: “Dit virus slaat bij de vogels op de hersenen. Dat is heel naar om te zien”

En ook al zie ik het niet, ik vind het zo naar om te lezen.

En dan die beesten die in een klap gedood worden, 170.000. 216.000. Getallen die hun betekenis verliezen. Het eten van vlees, van kip, van eend, van koe, van varken. Ik ben zo blij dat ik dat niet meer doe.

Ik kijk naar de vogels in mijn tuin, komen ze nog, mis ik er een en terwijl ik dit schrijf zit er een merel in de boom voor mijn huis.

Misschien is dit verwarrend geschreven, Ik ben ook in de war.

%d bloggers liken dit: