Tagarchief: NaNoWriMo2011

Haat is een harnas

Standaard

Haat is een harnas. Een mijn hele lijf omsluitend harnas. Mijn benen zijn bedekt onder een stevige laag staal, met scharnieren bij mijn enkels en mijn knieën zodat ik kan bewegen en kan lopen en het net lijkt alsof er niets aan de hand is. Het staal loopt door tot mijn liezen, over die zwakke plek draag ik een maliënkolder van dicht opeen geklonken metalen ringetjes die mij beschermen tegen snij en steekwonden.
De maliënkolder is zwaar. Het gewicht van de haat maakt het mij onmogelijk lichtvoetig te zijn. Over de maliënkolder  draag ik een harnas gesmeed door de smid van haat die in de hel woont. Haat bedekt mijn gezicht met een gezichtsharnas. Daaronder draag ik de kap van de maliënkolder. In het gezichtsharnas zitten twee gaten voor mijn ogen, ik zie de wereld door de ringen van haat. Voor mijn mond en neus heeft het gezichtsmasker twee gaten uitgespaard waardoor ik ademen kan. De maliënkolder van haat laat lucht door, maar houdt de haat binnen. Daar zit ik in gevangen.

Liefde is ook een harnas, een harnas van licht, van lucht, van warme lucht, van frisse lucht, van lucht die ideeën aanvoert,  van lichtheid die me overal heen voert, liefde draagt geen gezichtsmasker, liefde geeft vrijheid, het harnas van de liefde beperkt me niet, het is niet zwaar zoals het harnas van de haat.

Elke morgen en elke avond ben jij het eerste en het laatste aan wie ik denk. Ik denk aan je liefde voor mij en hoe die weer verdween, en ik denk aan alle intimiteiten die we samen deelden. Aan alle lieve woordjes die je voor me had en die ik voor jou had, en waar niemand weet van had. Nooit meer zal ik bepaalde woordjes gebruiken, nooit weer zal ik je troosten, niemand weet meer van alles waar ik van hield in jou. Mijn hoop is de bodem ingeslagen, onder mijn voeten weggegrist, de hoop dat jij hier zou zijn als ik het huis uitging.

Vrienden, bekenden, boeren, burgers en buitenlui

Standaard

Allereerst mijn welgemeende excuses voor het zo lang niet schrijven. Ik was het even helemaal moe. Na de hectische tijd van het schrijven voor NaNoWriMo was ik uitgeput en werd meteen ziek. Dat heb ik wel vaker. Als ik me ergens voor inzet doe ik dat 200% en dan stort ik, na een bepaalde tijd, in. Kan dan alleen nog maar liggen en leuteren en breng niets zinnigs voort. Dit is goed want het stoort me niet.

Ik heb nog wel een schitterende nieuwe muzikale favoriet ontdekt, Amanda Strydom waarvan ik een lied zal insluiten – als me dit lukt….

.

Ook heb ik de eerste les een prachtige workshop : Korte verhalen schrijven gegeven.
Dat ga ik vaker doen. Hou mij en mijn website in de gaten.

Helemaal geen zin in

Standaard

‘Ik heb hier helemaal geen zin in, zus, ‘zei ik. ‘Ik wil dit niet. Ik wil dit niet doen. Ik wil niet dat dit gebeurt. Oh mijn god, wat is er toch gebeurd met ons, we waren zo’n leuk gezin. Wat gebeurt er toch? Waarom moet dit gebeuren? Wat hebben we gedaan? Ik geloof dat ik gek word. De pijn in mijn hoofd en in mijn hart is zo groot. Moeder weg, vader dood. Ik ben een wees. Hoe kan dat nou?
‘Rustig maar, lief zusje. ‘Dalia zuchtte diep. ‘Laten we op zoek gaan naar Vader’s papieren. Laten we een begrafenisondernemer bellen, dan kunnen zij morgenochtend Vader wassen en afleggen. Jij gaat met mij mee. Ik laat je niet hier alleen achter.’
Onze Vader had zijn papieren keurig geordend. Een paar weken geleden had hij ons bij zich geroepen en gezegd dat hij niet wist of hij nog lang zou leven en dat we in de onderste la van zijn bureau alles konden vinden wat er gebeuren moest na zijn dood. In een blauwe ordner zat alles geordend. Hij had een uitvaartverzekering afgesloten voor een bedrag waarvan we champagne konden schenken en taart konden uitdelen, en bovenaan stond een naam en telefoonnummer van een begrafenisondernemer. We besloten het nummer te bellen en een boodschap achter te laten met de vraag ons te bellen.

Woede

Standaard

‘ik ga naar het lab, je hoeft niet te koken vanavond, ik neem wel wat mee van de Chinees.’ Riep hij door de deur.
‘Is goed pa, goeiedag, tot later.’

Ik smeerde me fanatiek in met zeep, ik boende over mijn huid alsof die eraf moest. Toen het pijn begon te doen realiseerde ik me hoe kwaad ik was. Hoe woedend het me maakte dat Pa ervan uit ging dat ik zou koken, dat ik de verzorging van hem en mijn luie broer helemaal van Ma zou overnemen. Ik begon te vloeken. Alle vloeken die ik me maar kon herinneren siste ik voor me uit. Stampvoetend foeterde ik en siste ik verwensingen die ik afwisselde met schuttingwoorden, krachttermen en uiteindelijk eindigde ik, leeg en uitgeput met een paar welbekende en welluidende vloeken. Mijn huid was rood van het boenen en ik keek in het badkamerkastje of de crème van mijn moeder er wellicht nog in stond of dat ze die misschien had meegenomen. De vette crème stond er nog en ik smeerde mijn rode ruwe huid in. Het brandde maar het voelde goed. Ik moest naar school.

Droom

Standaard

De wereld is donker. Vanuit de verte komt een enorme golf van licht aanrollen, ik probeer weg te rennen maar de golf is sneller en komt met veel lawaai over me heen en drukt me op het zand, mijn gezicht wordt in het zand geduwd, ik proest en kuch en ben even niet in staat adem te halen tot de golf over me heen is gerold en ik weer lucht krijg en eindelijk weer in staat ben adem te halen. Ik lig onder het zand, het is er licht. Ik ben omringd door tepelhoorns, de bolle, ronde glanzende schelpen die lijken op de slakkenhuizen uit de tuin, er kruipen kleine beestjes uit. Mijn moeder staat in de opening van een grote tepelhoorn en een grote witte slak sleurt haar zijn huis in. Ik gil. Zij ook. Ze verdwijnt voor mijn ogen. Ik probeer er heen te gaan maar ik kom niet vooruit, in slow motion beweeg ik en kom niet van mijn plaats. Ik wil gillen en sper mijn mond wagenwijd open maar er komt gaan geluid uit, ik zit gevangen in loodzware lucht die me op mijn plaats houdt, ik blijf proberen me te bewegen en ik merk tot mijn grote vreugde dat ik me iets naar voren beweeg, mijn voeten zitten vast in het zand, ik trek ze los. Ik ben op de bodem van de zee, de schelp met mijn moeder is verdwenen, zeewier is overal om me heen, slaat me in het gezicht, en wikkelt zich om mijn benen en trekt me omlaag, ik lig weer in het zand, ik kan niet overeind komen, ik zet mijn handen in het zand en probeer me af te zetten maar mijn handen zakken in het zand, het is drijfzand en het glijdt om me heen, verstikt me. Ik stik.

Gek en seksverslaafd

Standaard

‘Volgens mij ben jij gek geworden,’ zei Jozef en hij begon hard te lachen. ‘Hahaha,’ deed ik hem na. ‘Als je moeder gek is en je zus is gek, misschien ben jij dan ook wel gek.’ Woedend schoof ik mijn stoel naar achteren en ik wilde opstaan. Dalia drukte me op mijn arm, ‘Niet gaan, zusje, jullie zijn allebei overstuur, ga dat nou niet op elkaar af reageren.’ ‘Op wie moet ik het dan afreageren?’ zeiden Jozef en ik tegelijkertijd. ‘Op vader. Hij is de oorzaak van deze ellende.’ ‘Vader is verslaafd,’ zei ik, ‘dat is ook een ziekte. Verslaving staat vermeld in de DSM, De diagnostiek van mentale stoornissen. Vader is ook gek. We zijn allemaal gek. Hoe kunnen wij normaal zijn als onze ouders gek zijn?’ Dalia en Jozef keken me met grote ogen aan. ‘Hoezo is Vader verslaafd? Aan wat dan? Aan drugs?’ ‘Aan Seks,’ zei ik, ‘Vader is verslaafd aan seks.’Hoe kom je daar nu bij?’ ‘Hij heeft het zelf toegegeven vanmiddag.’ Ik vertelde ze van ons gesprek die middag en hoe moeder tegen hem had gezegd dat als hij niets aan zijn verslaving zou doen ze bij hem weg zou gaan.’ Mijn broer en zus keken me stomverbaasd aan. ‘Hij is dus verslaafd,’ zei mijn zus verslagen. ‘Gaat hij er iets aan doen?’ “Dat heeft weinig zin meer,’zei Jozef schamper. ‘Moeder is nu toch weg.’ ‘ Zo denkt hij er ook over. Maar een verslaving overwinnen heeft toch altijd zin? Ergens slaaf van zijn is het ergste dat er is. Dat je iets moet, niet omdat je het echt wilt maar omdat je lichaam er om vraagt?’ ‘Dan wil je het toch?’zei mijn broer.
Mijn bord was leeg en ik had er niets van geproefd. Een heel bord patat op. Patat was mijn favoriete voedsel en was dat altijd geweest. Gelukkig was er nog wat over en dat nam ik en at ik langzaam kauwend. De patat was lauw geworden maar het smaakte me niet minder.

Mapuchevriendje

Standaard

Bij mijn terugkomst in de vertrekhal werd ik apart geroepen. Ik moest mij helemaal uitkleden en een politievrouw visiteerde mij. Ze deed een plastic handschoen aan, smeerde vaseline op haar vinger en duwde me naar voren. Ik moest bukken en met kracht ging ze mijn kont in, daar draaide ze rond en vond natuurlijk niets. Nadat ze haar vinger had teruggetrokken ontsnapte er een lange fluitende wind uit mijn gat. De lucht was niet te harden. Voor mij viel het wel mee want het was mijn eigen scheet maar de politieagente kneep demonstratief haar neus dicht. Dat maakte me niet uit. Mijn kont deed zeer en ik was woedend. Hierna werd ik meegenomen voor een verhoor. Ze verscheurden de flyer die Sayen me had gegeven, noemden me Indianenvriend en zeiden dat ze wisten dat ik de gewapende strijd van de Indianen steunde. Zij hadden de Mapuche overwonnen en de trots die de Mapuche voelden over het feit dat ze niet overwonnen waren door de Inca´s en de Spanjaarden hadden de Chilenen de kop ingedrukt want zij hadden ze wel overwonnen. Ik wist eerlijk gezegd niet waar ze het over hadden. Ik had me niet echt verdiept in de Chileense politiek. Ik maakte me meer zorgen over mijn aansluiting naar Puerto Montt al kookte ik van woede over hoe ze mij behandelden en hoe ze ongetwijfeld de Mapuche zelf nog slechter zouden behandelen. ´Wat moest je met die Mapuche? Waarom zongen ze voor je?’ Ik gaf ze steeds hetzelfde antwoord. Ik had ze in het vliegtuig ontmoet. Ze hadden daar voor me gezongen en ze hadden me beloofd hun muziek te laten horen. Ik was op reis om de plek te vinden waar mijn moeder de laatste jaren van haar leven had doorgebracht. Ik wist niets van Chileense politiek en behalve Salvador Allende kende ik geen enkele Chileens politicus van naam. Twintig minuten voor mijn vliegtuig zou vertrekken leken ze me te geloven. Strak geboeid werd ik naar de gate gebracht waarna ze me de boeien afdeden en me toesnauwden dat ze me in de gaten hielden. De politieagente siste me nog: ‘Mapuchevriendje’ toe.

Uit de brief van mijn moeder – Nano

Standaard

Zijn vader was net als Kees dominee, het was een strenge onpersoonlijke man die uiterlijk veel op Kees leek, dezelfde stompe neus, dezelfde zware wenkbrauwen en hetzelfde dikke golvende haar. De moeder van Kees was een lieve vrouw maar zij was vooral een sloof, Moeder stond voortdurend in de keuken, ze kookte of bereidde dranken voor de mannen in de familie Wegman die sigaren rookten en het eten op aten en de dranken dronken dat hen voor de neus werd gezet.

Kees had twee zussen waarvan de jongste erg aan mij gehecht was. Het was een meisje met mooie bruine ogen dat het liefste tegen me aan zat en mijn hand vasthield. Nu denk ik dat ze misschien net zoals jij was maar toen wist ik niet dat er meisjes bestonden die van meisjes hielden en niet van jongens. Ik vond het aan de ene kant prettig als zij mijn hand vasthield maar ik voelde me ook opgelaten, vooral omdat Kees vaak naar zijn zusje uitviel.

‘Laat Tati met rust, Alma, hou toch op met die handtastelijkheden, zie je niet dat Tati er niet op gesteld is? ’

Dat laatste was niet waar maar ik liet het zo. De aanraking van Alma vond ik prettig. Ik wist dat ik Alma wel zou missen maar verder niemand van zijn familie. Ook Kees niet. Zijn oudste zus was een keurige dame die met afkeer naar me had gekeken toen Kees mij voor de eerste keer naar huis had gebracht. Terwijl ik mij in het toilet verschoonde hoorde ik dat ze aan Kees vroeg wat hij met die negerin moest. Luidruchtig kuchend kwam ik de keuken in. Ik kon het niet laten om de zuster een boze blik toe te werpen. Kees was rood geworden. Hij heeft me nooit iets gevraagd over mijn afkomst, waarschijnlijk omdat hij bang was dat ik inderdaad negroïde bloed had en hij een afkeer had van alles wat niet blank was. Wat wel voor de familie Wegman pleitte en ik wil dat absoluut hier gezegd hebben was dat ze ten tijde van de tweede Wereldoorlog Joodse onderduikers hadden en ook RAF piloten die gewond waren verzorgden tot ze weer terug naar Engeland konden. Het waren goede christenen, goede gereformeerde mensen.

Arturo

Standaard

‘ Waarom huil je zo, meisje?’ Het was een bijzondere stem die dit zei. Het was niet duidelijk of het een mannenstem of een vrouwenstem was. Te hoog voor een man, te laag voor een vrouw. Ik keek naast me en er zat een mens waarvan het ook niet duidelijk was of het een man of een vrouw was. De ogen waren opgemaakt met kohl, een donker lijntje op het onderste ooglid, een vleugje lichtpaarse ogenschaduw en de lippen waren zacht rozebruin gestift, een verenboa om de nek, wild gekamd halflang rood haar, een grote neus en amberkleurige ogen. Ik keek naar de handen om te bepalen of dit een man of een vrouw was en de handen waren lang en slank waardoor ik ervan overtuigd raakte dat dit een man was. Ook de plek, het Rosarium dat bekend stond als de plek in het Vondelpark waar mannen andere mannen konden vinden om seks mee te hebben versterkte me in mijn opvatting dat dit een man was. ‘Mijn moeder,’ huilde ik, ‘mijn moeder heeft me verlaten, gisteren en ik heb net gehoord dat ze naar Australië is.’ ‘Kindje toch,’ zei de persoon. Z/hij sloeg een arm om me heen en wat me bezielde wist ik niet of het moest mijn grote verdriet zijn maar ik legde mijn hoofd of haar/zijn schouder en snikte nog harder. Het was makkelijker om me te laten troosten door een wildvreemde dan door een bekende die ook verdriet had om wat mijn moeder had gedaan. De arm werd steviger om mijn schouder gelegd en de persoon legde troostend het hoofd op mijn hoofd. Het haar viel voor mijn ogen waardoor ik mij ontrokken voelde aan het leven van alle dag dat voorbij ging in het Vondelpark.